Drie dagen langs de Maas
Na een lange bocht opent het landschap zich en vallen de eerste zonnestralen op de kalkwanden van Freyr. Robin en ik laten onze peddels even rusten. Nog geen uur geleden zijn we stroomopwaarts vertrokken vanuit Waulsort, met een kano vol klimmateriaal, kampeerspullen en eten voor drie dagen. Nu drijven we aan de voet van een van de grootste rotsmassieven van België. Het water waarop we varen en de rots waarop we straks zullen klimmen, maken hier deel uit van hetzelfde landschap.
Het idee voor deze tocht speelde al een tijd in mijn hoofd. Kanoën en klimmen waren twee bezigheden die voor mij lange tijd los van elkaar stonden. Al meer dan twintig jaar beweeg ik me met kajaks, rafts, packrafts en kano’s over rivieren en ander water. Klimmen kwam veel later. Tijdens voorjaarsdagen op de Ourthe peddelde ik regelmatig langs de rotsen van Sy, waar hoog boven het water kleine silhouetten langzaam over de wand bewogen. Ik keek er telkens naar en vroeg me af hoe het zou zijn om daar zelf te hangen.
Na de lockdownperiode schreef ik me in voor een klimschool en enkele maanden later had ik mijn klimvaardigheidsbewijs op zak. In de klimzaal voelde ik me nooit helemaal thuis, maar buiten veranderde dat. Op echte rots vond ik iets terug wat ik ook op het water zocht: de concentratie die ontstaat wanneer je aandacht zich vernauwt tot het landschap vlak om je heen, tot een volgende greep, een beweging of de stroming onder je boot.

Toen ik Robin vertelde dat ik beide wilde combineren, hoefde hij niet lang na te denken. Moeilijker was het vinden van een plek waar dat op een vanzelfsprekende manier kon. We wilden niet ver rijden en de tocht moest in enkele dagen passen. Uiteindelijk kwamen we bij de Maas terecht. Tussen Waulsort en Yvoir liggen niet alleen verschillende klassieke klimgebieden, de rivier zelf vormt er een natuurlijke verbinding tussen. In plaats van telkens naar een volgende plek te rijden, konden we alles meenemen in de kano en ons door het landschap laten leiden.
Aan de voet van Freyr
Onder een heldere hemel laten we de kano vanaf Waulsort het water in glijden. De Maas is breed en bijna vlak. Niet veel later verschijnen de witte kalkwanden van Freyr boven de donkere eikenbossen. Aan de overkant ligt het Château de Freyr met zijn geometrische tuinen. Tussen beide stroomt de rivier.
Freyr is het grootste klimgebied van België, met honderden routes verspreid over verschillende massieven. Sommige wanden rijzen meer dan honderd meter boven de Maas uit. We leggen de kano aan en klimmen eerst via een pad naar de top van L’Al Lègne. Vanaf daar kijken we uit over het water waarover we net zijn aangekomen. De routes op deze wand blijken te ambitieus voor wat we vandaag willen doen. Ze zijn lang, technisch en op sommige plaatsen spaarzaam behaakt, zodat we opnieuw afdalen en dichter bij de rivier iets zoeken dat beter bij ons niveau past.
In de topo vinden we de Fissure Grune, een route die niet alleen vanwege haar lijn onze aandacht trekt. In 1931 werd ze als eerste route van Freyr geklommen door koning Albert I, toen vijfenvijftig jaar oud. Toevallig ben ik even oud wanneer we hier aan de voet van de wand staan. De moeilijkheidsgraad, 4c, ligt normaal ruim binnen onze mogelijkheden, maar zodra we beginnen te klimmen blijkt hoe relatief zo’n cijfer kan zijn. Bijna een eeuw klimschoenen heeft de kalk gepolijst. Voeten glijden weg op plaatsen die eenvoudig lijken en grepen voelen glad aan. Onder ons ligt de Maas in het zonlicht. Na enkele meters besluiten we dat er weinig te winnen valt door verder te gaan en laten we de historische parallel voor wat ze is.

We varen verder naar La Tête du Lion, een rotsformatie die met haar voet bijna in het water staat. Hier vinden we kortere routes vlak boven de oever. Af en toe springt een vis uit het water terwijl wij enkele meters hoger onze weg over de kalk zoeken. Later op de dag verplaatsen we ons naar La Jeunesse, waar we een 5c proberen. We komen tot de voorlaatste haak, maar verder lukt het niet. Een karabiner blijft achter in de wand, tot een Duitse klimmer aanbiedt hem te gaan halen. Zijn klimschoenen heeft hij uitgeleend en dus vertrekt hij op teenslippers. Zonder veel omhaal klimt hij naar boven, haalt de karabiner uit de wand en komt weer naar beneden.
Wanneer we later opnieuw in de kano stappen, hebben we veel minder geklommen dan we ’s ochtends hadden gedacht. Toch voelt de dag niet onaf. Misschien hoort ook dat bij buiten zijn: een plan meenemen en vervolgens aanvaarden wat een plek ermee doet.
Met de stroom mee
De volgende ochtend verlaten we vroeg onze bivakplek. De blauwe lucht van de vorige dag heeft plaatsgemaakt voor laaghangende bewolking en nevel tussen de heuvels. Voor ons ligt ongeveer achttien kilometer rivier tot Yvoir.De volgende ochtend verlaten we vroeg onze bivakplek. De blauwe lucht van de vorige dag heeft plaatsgemaakt voor laaghangende bewolking en nevel tussen de heuvels. Voor ons ligt ongeveer achttien kilometer rivier tot Yvoir.

Vanaf Waulsort volgen we de Maas stroomafwaarts. De beboste hellingen komen tot dicht bij het water en de rivier beweegt in brede bochten door het landschap. Voorbij de jachthaven van Anseremme bereiken we een eerste stuw. Het verval van de Maas wordt hier geregeld door een opeenvolging van sluizen en stuwen. Voor ons betekent dat uitstappen, de kano en bagage overdragen en enkele honderden meters verder opnieuw te water gaan.
Kort daarna begint het te regenen. Bij de monding van de Lesse zoeken we beschutting onder een brug en wachten tot de bui voorbijtrekt. Wanneer we weer vertrekken, verschijnt even verder de Bayard-rots, een smalle rotsnaald die vijfendertig meter boven de rivier uitsteekt. Volgens de legende werd ze gespleten door het Ros Beiaard toen het met de vier Heemskinderen op zijn rug over de Maasvallei sprong. Vanaf het water lijkt de rots nog smaller dan vanaf de weg, alsof de rivier zich tussen de kalk heeft moeten wringen.
Niet veel later varen we Dinant binnen. Vanaf de Maas liggen de stad, de collegiale kerk en de citadel bijna boven elkaar. De huizen staan in een smalle strook tussen rivier en rotswand. We leggen aan bij een steiger in het centrum, eten iets en wachten tot de laatste regen wegtrekt.

Wanneer we verder varen, verdwijnt de stad geleidelijk achter ons. De oevers worden opnieuw groener en de bebouwing verspreidt zich. We passeren Houx en even verder verschijnt aan de rechteroever opnieuw een brede kalkwand. Het is Le Paradou, het massief waar we de volgende dag willen klimmen. Vandaag bekijken we het vanaf het water. Morgen zullen we vanaf de rots naar dezelfde rivier kijken.
De Maas stroomt hier langzaam. Er is weinig dat onze aandacht opeist en juist daardoor beginnen we meer te zien: de beboste hellingen, huizen en kastelen boven het water, de rotswanden die telkens opnieuw tussen het groen verschijnen. De afstand die we afleggen is niet groot, maar dat lijkt steeds minder belangrijk.
Boven de rivier
De volgende ochtend keren we terug naar Le Paradou. Het massief telt meer dan honderd routes en veel ervan liggen binnen de moeilijkheidsgraden waarin wij ons comfortabel voelen. We beginnen op de Dalle Impériale, een brede kalkplaat waar evenwicht en voetwerk belangrijker zijn dan kracht.

We kiezen enkele routes van meerdere touwlengtes. Dat soort klimmen bevalt me het meest. Je beweegt niet in één keer naar boven, maar verdeelt de wand in stukken. De ene klimt terwijl de andere zekert, daarna wisselen de rollen. Op kleine standplaatsen hoog boven de grond maak je opnieuw afspraken voor het volgende stuk. De beweging vertraagt en het klimmen wordt iets gezamenlijks.
Vanaf de wand zien we de Maas beneden ons liggen. Gisteren voeren we daar nog met de kano voorbij en keken we omhoog naar deze rots. Nu is het perspectief omgekeerd. De rivier die ons hier heeft gebracht, loopt als een brede strook tussen de beboste hellingen door.
We eindigen op L’Aiguille, een smalle rotstoren die boven het groen uitsteekt. Het is geen hoge berg, maar bovenaan is daar weinig van te merken. De grond ligt ver genoeg beneden om je bewegingen aandachtig te maken en rondom ons opent het landschap zich. Daarna bouwen we het rappel op en dalen langs de achterkant van de rots weer af.
Beneden verzamelen we het touw, stoppen het klimmateriaal terug in de rugzakken en lopen naar de rivier.
Dichtbij
Drie dagen eerder waren we hier aangekomen met een kano vol materiaal en een eenvoudig plan: varen naar de rotsen, klimmen, ergens slapen en de volgende ochtend verdergaan. We hebben nauwelijks grote afstanden afgelegd. De hele tocht speelde zich af langs een klein stuk van één rivier.
Juist daarin lag uiteindelijk de aantrekkingskracht. We hoefden het landschap niet te doorkruisen om telkens een volgende activiteit te zoeken. De Maas verbond alles met elkaar. Ze bracht ons naar de rotsen, langs dorpen en steden en uiteindelijk weer verder. Soms bekeken we de kalkwanden vanaf het water, enkele uren later keken we vanaf diezelfde wanden naar de rivier beneden ons.
Wanneer we de kano uiteindelijk uit het water trekken en onze spullen bijeenleggen, voelt de tocht groter dan de afstand die we hebben afgelegd. Niet omdat we iets uitzonderlijks hebben gedaan, maar omdat we drie dagen lang nauwelijks iets anders nodig hadden dan wat we bij ons hadden en wat het landschap ons aanreikte. Een rivier, een paar rotswanden en voldoende tijd om ons ertussen te bewegen.
