Van idee naar noodzakelijke evolutie
Sinds ik in het natuurbeheer werk, kijk ik anders naar het landschap. Een groot deel van mijn dagen bestaat uit maaien, exoten verwijderen, opslag terugzetten en terreinen zo beheren dat kwetsbare vegetaties behouden blijven. Het is concreet werk waarvan de resultaten soms letterlijk onder je voeten zichtbaar worden. Tegelijk begon zich tijdens dat eerste jaar een vraag op te dringen. Hoeveel van wat we proberen te beschermen kan alleen blijven bestaan zolang wij voortdurend blijven ingrijpen?
Die vraag doet niets af aan het belang van natuurbeheer. Veel van onze natuurgebieden zijn het resultaat van eeuwen menselijk gebruik en sommige van de meest soortenrijke landschappen die we vandaag beschermen, zouden zonder beheer verdwijnen. Maar het werk vraagt mensen, machines, tijd en geld. Wanneer je dagenlang maaisel afvoert of telkens opnieuw opslag verwijdert uit een terrein, wordt ook duidelijk hoe arbeidsintensief het is om ecosystemen voortdurend in een bepaalde toestand te houden. Op de schaal waarop natuurherstel de komende decennia nodig zal zijn, kunnen we onmogelijk ieder landschap op die manier blijven sturen. Misschien is dat een van de redenen waarom rewilding mij steeds meer is gaan interesseren.

Ruimte voor processen
Rewilding wordt vaak voorgesteld als het terugbrengen van verdwenen soorten of het creëren van nieuwe wildernis, maar de gedachte erachter is ruimer. Het gaat in de eerste plaats over het herstellen van natuurlijke processen en vervolgens voldoende ruimte laten zodat die processen opnieuw zelf het landschap kunnen vormen. Een rivier mag overstromen en sediment verplaatsen. Bossen mogen verouderen en bomen mogen sterven. Grazers kunnen vegetaties veranderen zonder dat vooraf precies wordt bepaald hoe het eindbeeld eruit moet zien.
De voorbije jaren zag ik verschillende projecten waarin die gedachte tastbaar wordt. Langs de Klamath River in de Verenigde Staten werden grote dammen verwijderd en kreeg een rivier die tientallen jaren was onderbroken opnieuw ruimte. Dichter bij huis werd de Regge in Nederland opnieuw verbonden met haar vallei. Ook de Kleine Nete krijgt op verschillende plaatsen opnieuw meer ruimte om te kronkelen. Misschien het duidelijkste voorbeeld in onze omgeving is de Grensmaas.
Daar werd niet geprobeerd de rivier nog nauwkeuriger vast te leggen, maar gebeurde bijna het tegenovergestelde. Het rivierbed werd verbreed en de Maas kreeg opnieuw ruimte om grind te verplaatsen, geulen uit te schuren en banken op te bouwen. Daardoor ontstond opnieuw een landschap van droge en natte grindbanken, nevengeulen, ooibos, ruigten en graslanden. Rondtrekkende grazers maken deel uit van die dynamiek. Tegelijk kan het bredere rivierbed tijdens hoge waterstanden grote hoeveelheden water opvangen. Natuurherstel en hoogwaterbescherming blijken er geen tegengestelde belangen te zijn.
Binnen het Grensmaasproject ontstond zo ongeveer 1250 hectare nieuwe riviernatuur, als onderdeel van een veel groter grensoverschrijdend rivierlandschap. Wat mij daar vooral interesseert, is dat niet één vooraf bepaald natuurbeeld centraal staat. De rivier zelf is opnieuw een van de krachten die bepaalt hoe het landschap eruitziet.

De mens verdwijnt niet
Dat betekent niet dat mensen uit zo’n landschap moeten verdwijnen. Integendeel. Vanuit mijn andere werk, als riviergids en buitensportprofessional, ervaar ik hoe herstelde rivieren ook onze verhouding tot een landschap kunnen veranderen. Een rechtgetrokken waterloop en een rivier die opnieuw door haar vallei beweegt, bieden een fundamenteel andere ervaring. Niet alleen ecologisch, maar ook voor wie er wandelt, fietst of vaart.
Voor mij ligt daar een belangrijk deel van de betekenis van rewilding. Natuurherstel hoeft geen keuze te zijn tussen natuur en mensen. Een landschap dat ecologisch rijker en veerkrachtiger wordt, kan tegelijk nieuwe mogelijkheden bieden voor recreatie, lokale economie en toerisme. De voorwaarde is dat die activiteiten zich aanpassen aan het landschap en niet andersom.
Dat sociale aspect krijgt binnen rewilding steeds meer aandacht. Projecten van Rewilding Europe laten bijvoorbeeld zien dat herstel van grote landschappen alleen duurzaam kan worden wanneer ook de mensen die er wonen en werken er een plaats in krijgen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in discussies over natuur verdwijnt die gedachte soms snel naar de achtergrond.
Boeren, jagers, vissers, natuurbeschermers en recreanten worden dan afzonderlijke groepen met schijnbaar tegengestelde belangen. In werkelijkheid gebruiken ze hetzelfde landschap en zijn ze allemaal afhankelijk van de kwaliteit ervan. Hun verwachtingen verschillen en zullen soms botsen, maar dat hoeft samenwerking niet onmogelijk te maken. Juist in een dichtbevolkt landschap als het onze zal natuurherstel uiteindelijk ook een maatschappelijk project moeten zijn.

Van controle naar vertrouwen
De nieuwe richtlijnen voor rewilding van de IUCN sluiten daarbij aan. Ze leggen de nadruk niet alleen op soorten, maar op het herstellen van ecologische processen, verbindingen tussen gebieden en mogelijkheden voor mens en natuur om naast elkaar te bestaan. Daarmee verschuift ook de rol van natuurbeheer.
Dat betekent niet dat beheer overbodig wordt. Daarvoor is het Europese landschap te sterk door mensen gevormd en zijn veel ecosystemen te versnipperd of beschadigd. Soms is intensief beheer noodzakelijk om iets te behouden of om natuurlijke processen opnieuw op gang te brengen. Maar het doel hoeft niet altijd te zijn dat wij het landschap vervolgens eindeloos blijven sturen.
Misschien ligt daar de moeilijkste verandering. Natuurbeheer is bijna vanzelfsprekend verbonden geraakt met handelen. We maaien, kappen, plaggen, begrazen, graven en sturen waterstanden. Daar zijn vaak goede redenen voor. Toch kan goed beheer soms ook betekenen dat we voorwaarden creëren waaronder onze eigen rol kleiner kan worden.
Rewilding vraagt in die zin niet om niets te doen. Het vraagt om anders na te denken over wanneer ingrijpen noodzakelijk is en wanneer niet.

Samenleven met het wilde
De terugkeer van de wolf maakt zichtbaar hoe moeilijk die gedachte kan worden zodra natuur niet langer alleen bestaat binnen de grenzen die wij ervoor hebben afgebakend. De wolf houdt zich niet aan reservaatsgrenzen. Hij beweegt door bossen, landbouwgebied en dorpen en dwingt ons daardoor na te denken over wat samenleven met wilde natuur werkelijk betekent.
Het is relatief eenvoudig om voor wildernis te zijn wanneer die zich ver weg bevindt. Moeilijker wordt het wanneer natuurlijke processen onze eigen omgeving beginnen te veranderen of wanneer wilde dieren opnieuw ruimte innemen in landschappen die wij als volledig menselijk zijn gaan beschouwen. Precies daar wordt rewilding meer dan een ecologische techniek. Het wordt een vraag over onze eigen plaats in het landschap.
Mijn eerste jaar in het natuurbeheer heeft die vraag voor mij alleen maar concreter gemaakt. Ik zie dagelijks hoeveel kennis, arbeid en zorg nodig zijn om kwetsbare natuur te behouden. Dat werk blijft noodzakelijk. Maar ik zie ook de grenzen ervan. We kunnen niet ieder landschap voortdurend blijven onderhouden alsof het een tuin is.
Daarom zie ik rewilding niet als een alternatief voor natuurbeheer, en evenmin als een pleidooi om ons eenvoudigweg terug te trekken. Ik zie het eerder als een volgende stap: herstellen wat beschadigd is, opnieuw ruimte maken voor processen die we lange tijd hebben onderdrukt en vervolgens accepteren dat niet alles door ons bepaald hoeft te worden.
Misschien begint rewilding uiteindelijk precies daar. Niet bij het idee van een landschap zonder mensen, maar bij een landschap waarin de mens niet langer vanzelfsprekend degene is die alles bepaalt.
