Tussen twee werelden

In 1991 trok ik als student fotografie aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent een maand door Roemenië. Het werd mijn afstudeerproject en een van mijn eerste langdurige documentaire reeksen. Twee jaar eerder was het regime van Nicolae Ceaușescu ten val gekomen. De dictatuur was verdwenen, maar wat ervoor in de plaats moest komen was nog lang niet duidelijk.

Roemenië bevond zich in een ingrijpende overgang. De centraal geleide economie werd ontmanteld, staatsbedrijven kwamen onder druk te staan en de landbouw moest zich aanpassen na decennia van collectivisering. Inflatie, werkloosheid en onzekerheid namen toe. Tegelijk ontstond een politieke en maatschappelijke vrijheid die voor een groot deel van de bevolking nieuw was. Het oude systeem was verdwenen, terwijl het nieuwe nog nauwelijks vorm had gekregen.

Die tussenfase was overal zichtbaar. In steden en dorpen, op straat en op het platteland, in fabrieken en instellingen bestonden verschillende werkelijkheden naast elkaar. De structuren van het communistische verleden waren nog aanwezig, terwijl mensen probeerden zich aan te passen aan een toekomst waarvan niemand precies wist hoe die eruit zou zien.

Sommige gevolgen van het regime waren bijzonder confronterend. Ik bezocht weeshuizen en psychiatrische instellingen waar de omstandigheden schrijnend waren. De overvolle weeshuizen waren onder meer een erfenis van Ceaușescu’s pronatalistische beleid, waarbij abortus en anticonceptie sterk werden beperkt en vrouwen onder grote druk stonden om kinderen te krijgen. Na de revolutie werd zichtbaar hoe zwaar de gevolgen daarvan waren geweest voor duizenden kinderen en voor een zorgsysteem dat hen nauwelijks kon opvangen.

Als jonge fotograaf probeerde ik die werkelijkheid te begrijpen met mijn camera. Ik had niet de pretentie een volledig beeld van Roemenië te kunnen geven. Ik reisde, ontmoette mensen en fotografeerde wat ik onderweg aantrof: het dagelijkse leven, werk, armoede, instellingen, landschappen en vooral de mensen die zich door die onzekere periode bewogen.

Terugkijkend zie ik hoe bepalend die manier van werken voor mij is geweest. Fotografie was voor mij toen al meer dan het maken van afzonderlijke beelden. Ze was een reden om ergens naartoe te gaan, tijd door te brengen op een plek en toegang te zoeken tot werelden die ik niet kende. De camera gaf me een aanleiding om te kijken, maar ook om vragen te stellen en te proberen begrijpen wat zich voor mij afspeelde.

De foto’s uit Roemenië behoren tot mijn vroegste documentaire werk. Ze dragen onvermijdelijk de blik van de jonge fotograaf die ik toen was. Meer dan vijfendertig jaar later zou ik sommige onderwerpen waarschijnlijk anders benaderen en andere vragen stellen. Juist daarom hebben deze beelden voor mij nog betekenis. Ze documenteren niet alleen een samenleving op een uitzonderlijk moment in haar geschiedenis, maar ook het begin van mijn eigen zoektocht naar wat documentaire fotografie kan zijn.