Een kanotocht door Gaume en Ardennen

Zaterdagochtend, negen uur. Aan het kerkje van Tintigny sta ik met een groep Nederlandse vrienden die ik heb overtuigd om drie dagen met me de Semois af te varen. De rit hierheen voerde ons door de Gaume, door zacht glooiend landschap dat nog gedeeltelijk onder de ochtendmist lag. Dorpen en boerderijen in zandsteen verschenen tussen de velden en verdwenen weer achter ons. Voor mijn vrienden is dit een onverwacht België. We zijn amper enkele uren van huis en toch voelt het alsof we ergens anders zijn aangekomen.

Ik had hen een kleine wilderniservaring beloofd. Dat woord hadden ze aanvankelijk met enige scepsis ontvangen. België en wildernis laten zich niet vanzelfsprekend in dezelfde zin gebruiken. Toch komt de Semois misschien dichter in de buurt dan veel andere rivieren in de Lage Landen. Ze volgt nog grotendeels haar natuurlijke loop, maakt eindeloze meanders door bossen en graslanden en verdwijnt soms kilometerslang uit de buurt van wegen en bebouwing. Niet ongerept, daarvoor is de menselijke geschiedenis hier te nadrukkelijk aanwezig, maar wel een rivier die op veel plaatsen nog ruimte heeft om rivier te zijn.

op de semois met de kano

Door de Gaume

We stappen in net stroomafwaarts van Tintigny. Hier is de Semois nog klein, soms nauwelijks vijf meter breed. Ze slingert door een open landschap van weilanden en akkers, met een stroming die nauwelijks voelbaar is. De kano’s schuiven langzaam door het water. Na de voorbereiding en het laden van de boten valt de groep stil. Iedereen zoekt zijn ritme.

Het eerste traject naar Termes is elf kilometer lang. De rivier maakt zoveel bochten dat vooruitgang soms bijna relatief wordt. Een kerktoren of bosrand die we een halfuur eerder achter ons lieten, verschijnt plots opnieuw voor ons. Af en toe dwingt een omgevallen boom ons tot opletten. Op een rivier die zo smal is, kan één stam de volledige doorgang versperren.

Bij Termes bereiken we de eerste dam. We stappen uit en bekijken de passage vanaf de oever. Het is een gewoonte die tijdens de komende dagen regelmatig zal terugkeren. Een rivier vanaf het water lezen is iets anders dan haar vanaf de kant bekijken. Wat vanuit de kano onrustig of onduidelijk lijkt, wordt vaak eenvoudig zodra je even uitstapt. Soms geldt ook het omgekeerde.

Verder richting Jamoigne steekt de wind op. Hij blaast recht tegen ons in, maar de kronkelende rivier geeft telkens even beschutting. Na iedere bocht verandert de richting en daarmee ook het karakter van het varen. De kilometers gaan langzaam voorbij.

Voorbij Jamoigne wordt de rivier breder. Het water van de Vierre voegt zich bij de Semois en de stroming vertraagt. Tegen de avond verdwijnt het laatste licht. We beseffen dat we Chiny niet voor het donker zullen bereiken. In het bos wordt het plots stil en windloos. Ergens naast ons slaat een bever met zijn staart hard op het water. Even later nog een. We zien de dieren nauwelijks, maar hun aanwezigheid reist een tijdlang met ons mee.

Wanneer we uiteindelijk Chiny bereiken, is het donker. We zetten de tenten op en verzamelen hout. Een halfuur later brandt het vuur. De eerste dag zit nog in onze armen wanneer we eromheen gaan zitten.

twee kano's op de Semois
twee kano's op de Semois
houten kano op stroomversnelling semois
de semois in chassepiere

De rivier verandert

De volgende ochtend regent het. Voor ons ligt opnieuw ongeveer vijfentwintig kilometer. We stappen in bij de oude zandstenen brug van Chiny en merken vrijwel onmiddellijk dat we op een andere rivier terechtgekomen zijn. De open Gaume van gisteren ligt achter ons. De hellingen komen dichterbij, rotsen verschijnen tussen de bomen en de stroming trekt aan.

Kort na de brug ligt een eerste dam. We stappen opnieuw uit om te kijken. Bij de hoge waterstand kunnen we eroverheen varen. De kano’s versnellen en de boegvaarders krijgen meteen een flinke hoeveelheid water over zich heen. Daarna neemt de rivier ons mee.

Dat verschil tussen de bovenloop en het Ardeense gedeelte is kenmerkend voor de Semois. Vanaf haar bron bij Aarlen stroomt ze eerst tientallen kilometers door de Lotharingse vlakte. Verder stroomafwaarts snijdt ze zich steeds dieper in het Ardense massief. De hellingen worden steiler, de bossen groter en de meanders uitgesprokener. Uiteindelijk steekt ze de Franse grens over, verandert haar naam in Semoy en mondt ze bij Monthermé uit in de Maas.

Vanuit een kano ervaar je die geografie niet als een kaart maar als een opeenvolging van veranderingen. Het water versnelt of vertraagt, de horizon verdwijnt achter beboste hellingen en rotswanden komen tot aan de rivier. Soms opent het landschap zich even rond een dorp of grasland om een paar bochten later opnieuw dicht te vallen.

Voorbij Chiny verdwijnen we het bos in. De rivier slingert langs rotsen met oude namen als Rocher Pinco en Le Hât. Bij Lacuisine verandert ze opnieuw. De stroming valt vrijwel weg en het water wordt breed en traag. Na de dam opent het landschap zich richting Florenville.

Bij Martué liggen restanten van een oude dam in de rivier. Het water zoekt zijn weg tussen stenen en kleine eilandjes. Met de hoge waterstand is het een speels stuk varen. We moeten sturen, anticiperen en elkaar voldoende ruimte geven. Het zijn momenten waarop het landschap niet langer iets is waar je naar kijkt. De vorm van de rivier bepaalt letterlijk hoe je beweegt.

Daarna volgt opnieuw bos. Urenlang wisselen rotsen, bochten en korte versnellingen elkaar af. Tegen de avond verschijnt Chassepierre. We varen onder de brug door en nog een stukje verder tot de camping. De tenten komen opnieuw aan de waterkant te staan. Morgen wacht het langste en meest afgelegen deel van onze tocht.

kamp langs de semois

Leven langs het water

Wie meerdere dagen op een rivier doorbrengt, begint anders te kijken. De eerste uren zie je vooral het landschap. Daarna vallen kleinere dingen op. Een zilverreiger die telkens een paar honderd meter voor de kano uit vliegt. Een ijsvogel die laag over het water schiet. Sporen in de modder. Afgeknaagde takken langs de oever. De plotselinge beweging van iets wat onder het oppervlak verdwijnt.

Een groot deel van de vallei van de Semois behoort tot het Natura 2000-netwerk. Dat is niet toevallig. De rivier verbindt bossen, natte graslanden, rotshellingen, grindbanken en oevers tot één langgerekt landschap. Vanaf het water zie je hoe die verschillende leefgebieden in elkaar overlopen.

Ook onder het oppervlak speelt zich een wereld af die gemakkelijk aan onze aandacht ontsnapt. Forellen gebruiken periodes met hoger water om zich te verplaatsen en zoeken ondiepe grind- en kiezelbedden op om te paaien. Precies die plaatsen kunnen kwetsbaar zijn voor kano’s die bij te lage waterstand over de bodem schuren.

Waterstand is daardoor meer dan een praktische vraag of je een rivier kunt bevaren. Dat er voldoende water onder de boot staat, bepaalt ook hoeveel impact je veroorzaakt. Hetzelfde geldt voor waar je uitstapt, waar je pauzeert en hoe je met oevers omgaat. De regels langs de Semois zijn soms beperkend, maar ze maken deel uit van een eenvoudig principe: wie door een landschap beweegt, laat er onvermijdelijk iets van zichzelf achter. De vraag is hoe klein dat spoor kan blijven.

de semois in herbeumont

Dieper de Ardennen in

Na Chassepierre draait de Semois naar het noorden en verdwijnen de open landschappen vrijwel volledig. We varen het bos in.

Na enkele kilometers bereiken we de Vanne des Moines. De dam is bevaarbaar, maar met zwaar beladen kano’s kiezen we ervoor over te dragen. Het kost wat tijd. Boten uitladen, materiaal verplaatsen, kano’s naar beneden dragen en alles opnieuw vastmaken. Niemand heeft haast.

Verderop passeren we een rietveld waarin een groep zwanen verblijft. Daarna opent het bos zich even bij het oude Prieuré de Conques. Menselijke aanwezigheid duikt hier telkens op en verdwijnt weer. Een molen, een spoorbrug, resten van een dam, een dorp hoog boven de rivier. De Semois mag natuurlijk ogen, maar ze is al eeuwenlang ook een gebruikt landschap.

Dat wordt nog duidelijker verder stroomafwaarts. Molenstuwen en oude infrastructuur herinneren aan een tijd waarin de rivier deel uitmaakte van de lokale economie. Vanaf Linglé was de Semois officieel bevaarbaar en werden onder meer hout en tabak over het water vervoerd. Wat voor ons een tocht van enkele dagen is, maakte ooit deel uit van het dagelijkse verkeer door deze vallei.

Bij de Moulin Willaime wordt de passage opnieuw technisch. Het water wordt door een smalle doorgang geperst en maakt onmiddellijk daarna een scherpe bocht. We bekijken de lijn vanaf de kant voordat we één voor één vertrekken. Daarna wordt het opnieuw rustig.

Voor ons ligt een van de grote meanders van de Semois. De rivier maakt een enorme omweg rond het Tombeau du Chevalier. Hoog boven het dal ligt de burcht van Herbeumont. Vanaf het water is nauwelijks te zien hoe dicht verschillende delen van de rivier hier geografisch bij elkaar liggen. Wij volgen de lange weg die het water heeft gekozen.

De dag begint ondertussen in onze armen te zitten. Gesprekken worden korter. Iedereen peddelt in zijn eigen ritme. We stoppen nog een paar keer, eten iets aan de oever en stappen weer in.

Vanaf Linglé resten nog enkele kilometers. Uiteindelijk verschijnt de Moulin de Cugnon. We varen het laatste dammetje af en trekken de kano’s op de kant.

Drie dagen nadat we in Tintigny vertrokken, is de tocht voorbij.

zwaan op de zemois
kano op de semois
kano op de semois
waterplanten in de semois
tombeau du geant

Het ritme van een rivier

Een meerdaagse kanotocht maakt de wereld tijdelijk kleiner. Er is een vertrekpunt en ergens verder stroomafwaarts een plek waar je die avond wilt aankomen. Daartussen liggen bochten, stroming, regen, wind, een plek om te eten en af en toe een dam waarvan je eerst wilt weten wat er achter ligt.

Na een tijdje verdwijnt de noodzaak om voortdurend ergens anders te zijn. Je peddelt, stuurt en kijkt. Het tempo wordt niet alleen bepaald door afstand, maar ook door het water zelf. Soms leg je zonder moeite kilometers af. Even later vecht je tegen wind of lijkt een eindeloze reeks meanders nauwelijks vooruitgang toe te laten.

Misschien is dat wat me telkens opnieuw naar rivieren trekt. Vanuit een kano wordt een landschap geen decor waar je doorheen reist. Je volgt de laagste lijn ervan. Alles wat hogerop gebeurt, water dat van hellingen stroomt, regen die in bossen valt, zijrivieren die het dal binnenkomen, verzamelt zich uiteindelijk onder je boot. De rivier verbindt die plekken met elkaar.

De Semois laat tegelijk zien dat zo’n landschap nooit uitsluitend natuurlijk is. Dammen, molens, bruggen, dorpen en oude handelsroutes vertellen hoe lang mensen deze rivier al gebruiken. Vandaag zijn daar recreatie en natuurbeheer bij gekomen. Ook wij maken tijdens deze drie dagen deel uit van die geschiedenis, hoe kort onze aanwezigheid ook is.

Daarom vraagt varen ook om aandacht. Niet alleen voor een volgende bocht of stroomversnelling, maar voor de plek zelf. Voor voldoende water onder de kano, voor een kwetsbare grindbank, voor een oever waar je beter niet uitstapt. Dat maakt de tocht niet armer. Het maakt haar juist interessanter.

Wanneer we in Cugnon de laatste kano uit het water tillen, is er geen groot moment waarop de reis plots betekenis krijgt. We zijn moe, het materiaal is nat en alles moet opnieuw in de auto’s. Maar drie dagen lang hebben we weinig anders gedaan dan een rivier volgen.

Soms is dat genoeg.