“We realize the indivisibility of the earth—its soil, mountains, rivers, forests, climate, plants, and animals—and respect it collectively not only as a useful servant but as a living being, vastly greater than ourselves in time and space…”

Aldo Leopold, A Sand County Almanac

De Grote Nete stroomt op nauwelijks vijfhonderd meter van mijn huis. Ik ben er mijn hele leven langs gefietst. Ik heb haar buiten haar oevers zien treden, haar zien dichtvriezen tijdens strenge winters en loom door het landschap zien meanderen tijdens warme zomers. Maar deze zomer bleef ik plots staan omdat ik iets zag waarvan ik nooit had gedacht dat ik het zou meemaken. Grote delen van de rivier lagen droog. De modder was opengebarsten en lag te verdrogen in de zon. Het was geen spectaculaire natuurramp. Er stonden geen camera’s en er klonk geen sirene. Toch voelde het als een hallucinant beeld. Niet omdat ik niet begreep wat ik zag, maar omdat ik het onmogelijk kon rijmen met de rivier die al zevenenvijftig jaar deel uitmaakte van mijn leven.

Terwijl ik naar de drooggevallen bedding stond te kijken, moest ik onverwacht denken aan een beekje in de Ardennen. Het is mijn eerste herinnering aan de natuur. Ik zie geen berg, geen bos en zelfs de kampeertocht zelf ben ik grotendeels vergeten. Er is alleen een helder beekje waarin een jongen met beide handen ijskoud water naar zijn gezicht schept terwijl zijn vader een paar meter verder toekijkt. Meer is er niet. Toch is dat beeld me mijn hele leven blijven vergezellen. Meer dan vijftig jaar later hoef ik maar mijn gezicht te wassen in een rivier of bergbeek en ik ben weer even dat jongetje dat zich verbaast over de helderheid van stromend water.

Mijn vader overleed jong, ongeveer de leeftijd die ik vandaag zelf heb. Mijn herinneringen aan hem zijn eenvoudig. We kampeerden, maakten een kajaktocht, gingen paardrijden of trokken er gewoon samen op uit. Achteraf besef ik dat het nooit om de activiteit zelf ging. Het ging om samen buiten zijn. Hij was ook een gepassioneerd moestuinier met een voorliefde voor oude groenterassen. De tuin hoorde bij het ritme van zijn leven, net zoals buiten zijn dat deed.

Jaren later kreeg die vanzelfsprekende relatie tussen mens en omgeving voor mij een heel andere dimensie. Voor mijn eerste boek over de Imazighen verbleef ik maandenlang in twee dorpen in de Hoge Atlas. Ik fotografeerde er een samenleving die haar leven had opgebouwd in een landschap dat voor een buitenstaander hard en soms ongenaakbaar leek. Water was er nooit vanzelfsprekend en regen kon maandenlang uitblijven. Toch probeerden de mensen het landschap niet naar hun hand te zetten. Ze hadden geleerd het te gebruiken binnen de mogelijkheden en beperkingen die het hun bood. Elke bron, elk irrigatiekanaal en elke terrasakker getuigde daarvan. Een mens leefde er niet ondanks zijn omgeving, maar ermee.

Ik keerde er jarenlang terug. Niet alleen omdat het boek me bleef bezighouden, maar ook omdat ik er een manier van leven had leren kennen die me diep raakte. Hun dagelijkse werkelijkheid herinnerde hen er voortdurend aan hoe afhankelijk ze waren van hun omgeving. Achteraf besef ik dat die reizen mijn blik op de natuur blijvend hebben veranderd.

Zonder dat ik er bewust naar op zoek was, bracht bijna elke belangrijke keuze in mijn leven me opnieuw naar buiten. Eerst als fotograaf, daarna als kanobouwer, riviergids en uiteindelijk als natuurbeheerder. Vier dagen per week fiets ik nu door weer en wind naar het Hageland, waar mijn werkdagen zich afspelen in beekvalleien, bossen en blauwgraslanden. In mijn vrije tijd zoek ik rivieren, bergen of de bossen op. Voor veel mensen is buiten zijn een onderbreking van het dagelijkse leven. Voor mij is het dagelijkse leven zich steeds meer buiten gaan afspelen.

Dat thuisgevoel heeft weinig te maken met ontspanning. Soms is het een wandeling met de hond, soms een kanotocht op een rivier of een beklimming in de Alpen. De omstandigheden verschillen, maar telkens gebeurt hetzelfde. De natuur dwingt me om volledig aanwezig te zijn. Je kijkt naar de lucht, leest het water, voelt de wind, schat het terrein in en probeert eerlijk te blijven over je eigen mogelijkheden. Juist omdat je er nooit volledige controle hebt, leef je veel intenser in het moment.

Omdat mijn leven zich grotendeels buiten afspeelt, blijft wat er in het landschap verandert voor mij ook moeilijk op afstand. Ik lees erover, zoals iedereen, maar ik zie en voel het tegelijk voortdurend om me heen. Niet alleen in uitzonderlijke gebeurtenissen, maar in kleine verschuivingen die zich tijdens een werkdag, een kanotocht of een bergtocht opdringen. Wanneer je dag na dag buiten bent, wordt verandering iets tastbaars. Je voelt de hitte tijdens het werken, ziet hoe water uit het landschap verdwijnt en merkt hoe omstandigheden waarop je jarenlang kon vertrouwen plots niet meer vanzelfsprekend zijn. Daardoor voelt de klimaatcrisis voor mij niet als iets wat langzaam dichterbij komt. Ze is er al.

Misschien verklaart dat ook waarom het me zo verbaast dat die urgentie lang niet door iedereen op dezelfde manier wordt ervaren. Deze zomer kreeg ik tientallen aanvragen voor kanotochten. Bijna allemaal moest ik ze weigeren omdat de waterstanden te laag waren. Wat mij daarbij het meest verbaasde, was niet de teleurstelling van de mensen. Die begreep ik volkomen. Het was hun oprechte verwondering. Alsof een rivier die niet meer bevaarbaar is nog altijd een uitzondering is. Alsof de droogte waarover we dagelijks lezen zich altijd ergens anders afspeelt.

Een paar weken geleden stond ik samen met mijn zoon Emiel aan de Stüdlhütte, aan de voet van de Grossglockner. Voor hem was het de eerste echte kennismaking met het hooggebergte. Voor mij was het bijna dertig jaar geleden dat ik er nog geweest was. Ik herinnerde me de Pasterze als een indrukwekkende ijsstroom die diep het dal in gleed. Nu moest ik zoeken naar de gletsjer die ik ooit had gezien. Een Oostenrijkse berggids vertelde me hoe ze tijdens een recente hittegolf een drie meter lange meetstaaf in het ijs hadden gedreven. Een week later stak bijna een meter ervan boven het oppervlak uit. Hij vertelde het zonder dramatiek. Dat maakte zijn verhaal alleen maar indrukwekkender. Wie elke dag buiten werkt, heeft weinig behoefte aan grote woorden. Het landschap spreekt meestal voor zichzelf.

Hetzelfde gevoel overviel me enkele jaren eerder op het Plateau du Vercors. Samen met Emiel wilde ik er een meerdaagse tocht maken die ons uiteindelijk tot in Grenoble zou brengen. We waren ’s morgens vroeg uit België vertrokken en bereikten tegen de avond Châtillon-en-Diois, waar we besloten de steile klim naar het plateau nog aan te vatten. Ongeveer halverwege vonden we een bivakplek op een uitstekende rots en brachten er de nacht door. De volgende ochtend klommen we verder en begonnen aan de tocht over het plateau. Zoals altijd had ik me zorgvuldig voorbereid. Ik had vooraf de bronnen gecontroleerd en hun coördinaten opgeslagen. Volgens de beschikbare informatie zouden ze voldoende water leveren.

Maar de eerste bron was droog, en ook bij de volgende vonden we geen water. Wat op papier een goed voorbereide tocht was, veranderde langzaam in iets heel anders. We hadden vier liter water voor ons tweeën en moesten daarmee bijna twee dagen verder. Elke slok werd een afweging en onze aandacht verschoof volledig naar één element dat tot dan toe vanzelfsprekend had geleken. Pas na twee dagen vonden we een klein bronnetje waar het water langzaam uit de kalkrots sijpelde. Wat me achteraf het meest is bijgebleven, is niet zozeer de dorst, maar hoe snel onze wereld zich vernauwde tot de zoektocht naar water. Het was een bijna apocalyptische ervaring die ik niet snel zal vergeten.

Diezelfde kwetsbaarheid ervaar ik vandaag op een heel andere manier tijdens mijn werk als natuurbeheerder. Binnen het LIFE HARWIN-project proberen we zeldzame blauwgraslanden te herstellen door intensief en zeer zorgvuldig maaibeheer. Een gezond blauwgrasland mag in de zomer oppervlakkig uitdrogen. Dat hoort bij het natuurlijke ritme van het ecosysteem. Maar wanneer de grondwaterstand structureel te diep wegzakt, verandert er veel meer dan alleen de hoeveelheid water in de bodem. De invloed van het basenrijke grondwater vermindert, de bodem verzuurt en door de afbraak van organisch materiaal komen voedingsstoffen vrij. De zeldzame, traaggroeiende soorten waarvoor we al dat werk doen, krijgen het moeilijker terwijl snelgroeiende grassen en ruigtekruiden profiteren.

Deze zomer werd die verdroging bijna lichamelijk voelbaar. Zware fysieke arbeid uitvoeren bij zulke temperaturen is uitputtend. Het voelt alsof je de hele dag een loden deken met je meedraagt die je niet kunt afschudden. Daar komt het stof bij. Niet een beetje droge aarde, maar stof dat overal binnendringt, in je kleren, je ogen, je neus en je mond. Op sommige momenten lijkt er nauwelijks nog sprake van grond. Alleen van stof. Terwijl wij met veel zorg proberen een kwetsbaar ecosysteem te herstellen, wordt tegelijk duidelijk hoe beperkt onze invloed uiteindelijk is wanneer het water waarop dat systeem steunt verdwijnt.

Het mooie aan de natuur is dat ze zich uiteindelijk altijd herstelt, maar dat betekent niet dat je terugkrijgt wat verloren is gegaan. Een ecosysteem kan zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden en opnieuw een evenwicht vinden, maar dat nieuwe evenwicht kan veel armer zijn dan wat eraan voorafging. Dat maakt natuurbeheer soms tot een merkwaardige bezigheid. We werken met machines, kennis en veel menselijke inzet om processen te herstellen die uiteindelijk afhankelijk blijven van water, bodem en klimaat.

Toen ik onlangs opnieuw door het zuiden van Marokko reisde, kreeg dat besef weer een andere dimensie. Het landschap dat ik jarenlang had gekend, was ingrijpend veranderd. Amandelbomen waren op grote schaal afgestorven, arganbomen stonden onder zware druk en palmoases verloren langzaam hun vitaliteit. Op veel plaatsen werd nauwelijks nog tarwe of gerst verbouwd. Daarbovenop was de vijgencactus, die niet alleen voedsel en inkomsten leverde maar ook als natuurlijke omheining een belangrijke plaats innam in het landschap, op enorme schaal verdwenen door de cochenille.

Voor iemand die er slechts doorheen reist, zijn dat ecologische veranderingen. Voor de mensen die er wonen, zijn ze veel meer dan dat. Wanneer een boomgaard verdwijnt of een oogst jaar na jaar mislukt, verdwijnt een deel van de mogelijkheid om op die plek te blijven leven. De klimaatcrisis wordt daar een menselijke crisis. Dat is misschien wat me in Marokko het hardst heeft geraakt. Het landschap dat me ooit leerde hoe mensen binnen de grenzen van hun omgeving kunnen leven, wordt nu zelf zo snel veranderd dat die eeuwenoude aanpassingen steeds minder volstaan.

Misschien is dat ook waarom ik steeds meer moeite heb met de afstand waarmee we hier naar dezelfde crisis kijken. We zien bosbranden, overstromingen, droogte en smeltende gletsjers dagelijks op onze schermen verschijnen. We weten wat er gebeurt. Toch lijken we een opmerkelijk vermogen te hebben ontwikkeld om elke nieuwe crisis vrijwel onmiddellijk te normaliseren. Een recordtemperatuur wordt een warme zomer, een drooggevallen rivier een uitzonderlijk jaar en een mislukte oogst een lokaal probleem. Zodra de eerste verbazing verdwenen is, gaat het leven verder.

Tegelijk is onze verhouding tot de natuur steeds meer die van een consument geworden. We willen een ervaring en verwachten dat die ervaring beschikbaar is op het moment dat wij ervoor gekozen hebben. De rivier moet bevaarbaar zijn wanneer de kanotocht geboekt is, de sneeuw moet er liggen wanneer de skivakantie begint en het weer moet meewerken wanneer we een weekend in de bergen hebben gepland. Ik begrijp dat verlangen naar buiten maar al te goed, maar ik merk ook hoe moeilijk we het zijn gaan vinden wanneer de natuur niet aan onze verwachtingen voldoet.

Misschien heeft dat te maken met een samenleving waarin we steeds beter zijn geworden in het maximaliseren van comfort en het minimaliseren van ongemak. Vrijwel alles is beschikbaar, planbaar en koopbaar geworden. Ook avontuur wordt steeds vaker verpakt als een product, een ervaring die moet kunnen doorgaan en liefst ook nog gedeeld en bewezen kan worden. Sociale media hebben die ontwikkeling alleen maar versterkt. De natuur wordt daarbij gemakkelijk gereduceerd tot decor, terwijl ze juist allesbehalve dat is.

Voor mij zit de aantrekkingskracht van buiten zijn precies in het tegenovergestelde. Wie zich op een wilde rivier, op zee of in het hooggebergte begeeft, weet dat controle altijd relatief is. Je kunt je voorbereiden, het terrein bestuderen, het weer volgen, je materiaal controleren en eerlijk inschatten of je vaardigheden volstaan. Dat is je verantwoordelijkheid. Maar daarna blijven er altijd elementen die je niet beheerst. Ik heb ooit tijdens een zeekajaktocht in zeer ruig weer gezeten, met hoge golven en een sterke stroming. Op zo’n moment hoef je jezelf niets wijs te maken. Je bent een speelbal van krachten die vele malen groter zijn dan jijzelf.

Misschien is dat ook waarom zo’n uitspraak als een berg “overwinnen” me altijd heeft tegengestaan. Niet omdat ik de inspanning of de prestatie wil relativeren, maar omdat het woord iets verraadt over onze verhouding tot de natuur. Een berg laat zich niet overwinnen. Een rivier evenmin. De natuur is ons niets verschuldigd. Ze is. Wij kunnen ons erin begeven, proberen haar te begrijpen en ons zo goed mogelijk voorbereiden op wat we er aantreffen, maar uiteindelijk zijn wij het die ons moeten aanpassen.

Daarin schuilt voor mij ook een bijzondere vorm van vrijheid. Buiten zijn betekent niet dat alle beperkingen verdwijnen. Integendeel. Op een berg of een rivier zijn de grenzen vaak veel duidelijker dan in het dagelijkse leven. Maar juist daardoor verdwijnt een groot deel van de ruis. Tijdens een moeilijke graatbeklimming of een afdaling van een wilde rivier bestaat er nauwelijks iets buiten het moment. Alle aandacht gaat naar de volgende beweging, de volgende golf, het terrein voor je. Die volledige aanwezigheid voelt voor mij als vrijheid, juist omdat ze niet voortkomt uit controle maar uit het tijdelijk loslaten ervan.

Hoe langer ik hierover nadenk, hoe minder ik de klimaatcrisis daarom als een louter ecologisch probleem kan zien. Ze confronteert ons ook met een culturele crisis en met de manier waarop we onszelf tegenover de wereld hebben geplaatst. Onze technologische ontwikkeling heeft ons een ongekend comfortabel leven gegeven en daar hoeven we niet nostalgisch of afwijzend over te doen. Maar ze heeft ons tegelijk de indruk gegeven dat we steeds minder afhankelijk zijn van natuurlijke systemen. Het tegenovergestelde is waar. Zonder water, een levende bodem, een stabiel klimaat en functionerende ecosystemen blijkt al die technologie plots veel minder almachtig.

Dat heb ik jaren geleden al geleerd bij de Imazighen in de Hoge Atlas. Niet omdat hun manier van leven een romantisch model is waarnaar we zouden moeten terugkeren. Samenlevingen veranderen, en dat is goed. Het zou arrogant zijn om vanuit ons comfortabele westerse bestaan te verlangen dat anderen in een pastorale werkelijkheid blijven leven omdat wij die mooi vinden. Wat mij daar raakte was iets anders: het besef dat vooruitgang niet hoeft te betekenen dat we vergeten waarvan we afhankelijk zijn.

Misschien is dat uiteindelijk wat ik mis in de manier waarop we vandaag over de klimaatcrisis spreken. Niet nog meer beelden van brandende bossen of cijfers over temperatuurrecords. Die kennen we ondertussen. Wat ontbreekt, is misschien een gevoel van verbondenheid met wat er verandert en daarmee ook de urgentie om ernaar te handelen. Niet vanuit paniek of schuldgevoel, maar vanuit het eenvoudige besef dat we deel uitmaken van hetzelfde systeem dat we onder druk zetten.

Ik geloof nog altijd sterk in individuele verantwoordelijkheid. Niet omdat ik denk dat de juiste keuzes van één persoon de klimaatcrisis zullen oplossen, maar omdat een samenleving uiteindelijk bestaat uit miljoenen individuele keuzes die samen een richting bepalen. Hoe we ons verplaatsen, wat we consumeren, hoe we omgaan met landschap en natuur en hoeveel ruimte we laten voor andere soorten zijn geen abstracte beslissingen. Ze vertellen iets over de wereld waarin we willen leven.

Misschien begon mijn eigen verhouding tot die wereld met dat beekje in de Ardennen. Meer dan vijftig jaar later kan ik nog altijd het koude water op mijn gezicht voelen. Het is een kleine herinnering, nauwelijks meer dan een beeld, maar ze is blijven hangen omdat ze iets bevat wat ik vandaag nog altijd zoek wanneer ik buiten ben: aandacht, verwondering en het besef dat niet alles om ons draait.

Ik weet niet hoe de landschappen die ik vandaag ken er over vijftig jaar zullen uitzien. De natuur zal zich aanpassen, zoals ze dat altijd heeft gedaan, maar ze zal niet noodzakelijk terugbrengen wat wij verloren hebben. Wat ik wel hoop, is dat ook de generaties na ons nog de kans krijgen om zich over een helder beekje te buigen en zich eenvoudigweg te verbazen over het water dat er stroomt. Misschien begint verantwoordelijkheid precies daar: niet bij de gedachte dat we de natuur kunnen beheersen of redden, maar bij de bereidheid om haar met aandacht en respect tegemoet te treden.

Nan Shepherd vond daarvoor, na een leven van wandelen in de Cairngorms, een veel eenvoudiger formulering:

“I have walked out of the body and into the mountain.”

– Nan Shepherd, The Living Mountain