Pieter Coopmans en de kwetsbaarheid van landschapszorg
De pas bewerkte akker ligt er donker en rul bij. In de bovenste bodemlaag zijn nog resten van plantaardig materiaal zichtbaar. Pieter Coopmans vertelt hoe hij maaisel uit de omliggende graslanden en ander organisch materiaal opnieuw in zijn akkers verwerkt. Wat elders op het domein vrijkomt, wordt hier opnieuw grondstof. Het is een eenvoudige gedachte, maar ze vormt een belangrijk uitgangspunt van zijn bedrijfsvoering: de verschillende onderdelen van het landschap staan niet los van elkaar.
We bevinden ons op Herkenrode, in de Demervallei bij Hasselt. De voormalige abdij vormt het historische middelpunt van een uitgestrekt landschap van akkers, graslanden, boomgaarden, houtkanten en waterlopen. Pieter ontvangt me voor een lange rondgang over het domein. Hij is een enthousiaste verteller, iemand die nauwelijks aansporing nodig heeft om uitgebreid over zijn bedrijf, zijn dieren en zijn beheerpraktijken te spreken. Al snel wordt duidelijk dat hij zijn werk niet beschouwt als een verzameling afzonderlijke landbouwactiviteiten. Voor hem vormen de bodem, het water, de vegetatie en de dieren één samenhangend systeem.

Een landschap dat blijft functioneren
Naast de akker ligt een grasland waarin het vlasbekje uitbundig bloeit. Iets verderop staat een groep schapen die de hergroei van een ander perceel begraast. We wandelen langs akkers, graslanden en houtkanten die elk hun eigen functie hebben binnen het bedrijf.
Pieter legt uit hoe hij zijn bodembeheer de voorbije jaren heeft aangepast. Een belangrijk onderdeel daarvan is zijn keuze om niet langer te ploegen. Door de bodem zo weinig mogelijk te verstoren, wil hij de bodemstructuur herstellen en het bodemleven optimale ontwikkelingskansen geven. Regenwormen, schimmels en andere bodemorganismen spelen immers een essentiële rol in de afbraak van organisch materiaal, de vorming van een stabiele bodemstructuur en de beschikbaarheid van voedingsstoffen.
Zijn aanpak is niet strikt no-till, waarbij de bodem helemaal niet mechanisch wordt bewerkt. Pieter past een vorm van ploegloze, niet-kerende bodembewerking toe. Organisch materiaal wordt soms slechts zes tot acht centimeter diep ingewerkt. Waar diepere bodemlagen de waterdoorlatendheid beperken, gebruikt hij een diepwoeler die de grond losmaakt zonder de bodemlagen om te keren. Dat doet hij bij voorkeur wanneer de bodem voldoende droog is, om nieuwe verdichting te vermijden.
Hij vertelt hoe groot het verschil met vroeger is. Toen de akkers nog werden geploegd, kon hij er na een natte periode soms maandenlang niet op zonder diep weg te zakken. Vandaag ervaart hij de bodem als steviger en tegelijk zachter. Voor hem is dat een van de duidelijkste aanwijzingen dat zijn aanpak resultaat oplevert.
Omdat hij minder stalmest beschikbaar heeft dan vroeger, zoekt hij andere manieren om organisch materiaal aan te voeren. Hij gebruikt plantaardige resten uit het landschapsbeheer en experimenteert met groenbemesters zoals olievlas, zonnebloemen en verschillende vlinderbloemigen. Sommige soorten moeten de bodem diep doorwortelen, andere zorgen voor snelle bedekking of leveren organisch materiaal. Niet iedere proef slaagt. De droogte van de voorbije zomer heeft verschillende experimenten doorkruist. Pieter vertelt er zonder veel omhaal over. Hij probeert iets uit, kijkt wat er gebeurt en past zijn werkwijze aan.
Wat me tijdens de rondgang vooral treft, is niet de aanwezigheid van uitzonderlijk soortenrijke graslanden of spectaculaire natuurwaarden. Het is de zorg waarmee vrijwel ieder onderdeel van het landschap wordt gebruikt en onderhouden. Het is verleidelijk om je voor te stellen dat het landschap er tweehonderd jaar geleden niet fundamenteel anders uitzag. Dat is ongetwijfeld een geromantiseerde gedachte. De landbouw, de hydrologie en de economische omstandigheden zijn sindsdien ingrijpend veranderd. Maar de historische samenhang tussen akkerbouw, veeteelt, graslandbeheer en houtige landschapselementen is hier nog herkenbaar.

Landbouwer en landschapsbeheerder
In het historische landbouwlandschap hadden veel beheerpraktijken een economische functie. Graslanden leverden hooi, houtkanten en hakhout leverden brandstof of gebruikshout, en vee zette de vegetatie van minder productieve gronden om in voedsel en mest. Vandaag waarderen we veel van die landschapselementen vooral om hun ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke betekenis. Hun oorspronkelijke economische functie is gedeeltelijk verdwenen, maar het onderhoud blijft noodzakelijk.
Pieter probeert die functies opnieuw met elkaar te verbinden. Zijn runderen begrazen de valleigraslanden, maaisel en ander organisch materiaal krijgen waar mogelijk een bestemming binnen het bedrijf, en het onderhoud van hagen, houtkanten en boomgaarden maakt deel uit van zijn dagelijkse werk.
Een mooi voorbeeld is de manier waarop hij zijn jonge runderen inzet bij het beheer van de houtkanten. De dieren beperken zich niet tot het grazen van gras, maar breken ook takken en jong houtig opschot af. Zo helpen ze voorkomen dat houtige vegetatie zich ongehinderd uitbreidt. Pieter vertelt dat dit niet ieder jaar even goed werkt. Zolang er voldoende aantrekkelijk gras beschikbaar is, besteden de dieren minder aandacht aan bomen en struiken. Pas wanneer dat aanbod afneemt, beginnen ze zich nadrukkelijker met de houtige vegetatie bezig te houden.
Ook zijn schapen hebben een specifieke plaats in het beheer. Ze worden onder meer ingezet voor nabegrazing, wanneer de vegetatie na het maaien opnieuw begint te groeien. Pieter stemt de begrazing af op de toestand van de percelen en de beschikbaarheid van voedsel.
De Engelsen hebben een mooie uitdrukking voor mensen als Pieter: steward of the land. Iemand die het land niet alleen gebruikt, maar er ook verantwoordelijkheid voor draagt. Zijn betrokkenheid blijkt niet uit grote verklaringen over duurzaamheid, maar uit de aandacht waarmee hij over bodem, vegetatie, water en dieren spreekt.

De runderen en de vallei
Wanneer we bij de kudde komen, lopen verschillende runderen spontaan naar Pieter toe. De volwassen dieren en kalveren lijken blij hem te zien. Tegenover mij, als onbekende bezoeker, zijn ze wat argwanender. Pieter staat ontspannen tussen de dieren en vertelt verder.
Zijn Herefordrunderen zijn een belangrijk onderdeel van het landbouwbedrijf, maar vervullen tegelijk een rol in het beheer van de graslanden. We staan in het Demerbroek, een uitgestrekt grasland in de Demervallei waar het Agentschap voor Natuur en Bos pitrus maait. Pieter heeft uitgesproken ideeën over de manier waarop die vegetatie wordt beheerd. Hij stelt vragen bij de resultaten van herhaald maaien en afvoeren en zoekt zelf naar mogelijkheden om via bodemverbetering en het gebruik van organisch materiaal de vegetatieontwikkeling te beïnvloeden.
Hij toont me het verschil tussen percelen waar het maaisel wordt afgevoerd en plaatsen waar geklepeld materiaal blijft liggen. Volgens hem neemt de pitrus op sommige van die laatste plekken geleidelijk af. Hij schrijft dat toe aan een verbetering van het bodemleven en de bodemstructuur.
Hier wordt ook duidelijk dat landbouw en natuurbeheer niet altijd dezelfde doelstellingen hebben. In natuurgebieden waar verschraling noodzakelijk is om specifieke vegetaties te herstellen, kan het terugbrengen van organisch materiaal juist ongewenst zijn. Wat gunstig is voor de bodemvruchtbaarheid van een weiland, is niet noodzakelijk gunstig voor een voedselarm natuurgrasland. Ook de relatie tussen pitrus, bodemverdichting en nutriëntenbeschikbaarheid is complexer dan één eenvoudige oorzaak-gevolgrelatie. Pieters waarnemingen zijn interessant, maar bewijzen op zichzelf niet dat zijn aanpak overal tot een betere natuurkwaliteit zou leiden.
Dat verschil herken ik uit mijn eigen werk in natuurherstel. Ook wij gebruiken maaien, begrazen en hakhoutbeheer om halfnatuurlijke ecosystemen in stand te houden of te herstellen. Maar in veel van onze Natura 2000-gebieden proberen we de gevolgen van langdurige verwaarlozing, verdroging en nutriëntenaanrijking terug te dringen. Pieter werkt vanuit een andere uitgangssituatie. Zijn beheer maakt deel uit van een landbouwsysteem dat het landschap voortdurend onderhoudt. In zekere zin beschikt hij over iets wat wij op veel plaatsen opnieuw proberen op te bouwen: continuïteit in het beheer.

Water als onderdeel van het landschap
Verderop bereiken we een natte zone met open water, dichte oevervegetatie en begroeide eilandjes. Pieter vertelt over de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis), een van de meest bedreigde vissoorten in Vlaanderen. In de zomer van 2018 werd de soort hier opnieuw aangetroffen tijdens werkzaamheden aan een gracht. Die ontdekking bleek belangrijk voor het Vlaamse soortenbeschermingsprogramma. De populatie op Herkenrode werd gebruikt als bron voor het kweken van grote modderkruipers, die vervolgens ook op andere locaties werden uitgezet.
De herontdekking past in een ruimer verhaal van waterherstel. In 2012 en 2013 voerden de Vlaamse Milieumaatschappij en het Agentschap voor Natuur en Bos werken uit aan de Demer en de Tuilterdemer. Een historische nevengeul werd opnieuw verbonden met de rivier, een meanderende bedding werd hersteld en een vistrap maakte migratie rond de Tuiltermolen mogelijk.
Pieter vertelt hoe begrazing, waterpeilen en de ontwikkeling van oevervegetatie elkaar beïnvloeden. Hij wijst ook op de soms tegenstrijdige doelstellingen die binnen één gebied kunnen bestaan. Een waterpartij kan bijvoorbeeld interessant zijn voor de voortplanting van snoek, terwijl de grote modderkruiper andere eisen stelt aan zijn leefomgeving. Ook de aanwezigheid van bevers maakt het waterbeheer ingewikkelder. Hun activiteiten kunnen nieuwe natte habitats creëren, maar ook de afvoer en verbinding tussen waterpartijen veranderen.
Voor Pieter is dat geen abstract vraagstuk. Hij kent de plekken waar water blijft staan, waar een gracht droogvalt en waar de vegetatie verandert. Ook zijn landbouw moet zich aan die omstandigheden aanpassen. Hij vertelt over percelen die in natte jaren nauwelijks bewerkbaar zijn en over graanteelten die door wateroverlast verloren gingen. In 2024 zag hij zich daardoor genoodzaakt zijn teeltplanning ingrijpend aan te passen. Hij probeerde toen uitzonderlijk maïs te telen om toch voldoende veevoeder te kunnen produceren.
Zijn uitgangspunt is dat je niet voortdurend tegen de natuurlijke omstandigheden moet proberen in te werken. Hij verwijst naar de vroegere maïsteelt op gronden die een groot deel van het jaar onder water staan. Volgens hem heeft het weinig zin om zulke percelen koste wat het kost geschikt te willen maken voor een teelt die er eigenlijk niet thuishoort. Hij probeert liever te kijken wat de bodem en het water toelaten, en zijn bedrijfsvoering daaraan aan te passen.

Een historisch landschap met een hedendaagse rekening
Herkenrode is niet alleen een landbouwlandschap en een natuurgebied. Het is ook een erfgoedsite, met de voormalige abdij als historische kern. Dat maakt de omgeving bijzonder, maar brengt voor Pieter bijkomende verantwoordelijkheden en beperkingen mee.
Hij werkt er inmiddels ongeveer 23 jaar. In die periode heeft hij zijn bedrijfsvoering voortdurend aangepast aan de mogelijkheden van het domein en de verwachtingen van de verschillende instanties waarmee hij te maken heeft.
Pieter heeft geen van de gronden die hij bewerkt in eigendom. Hij is voor zijn volledige bedrijfsvoering afhankelijk van overeenkomsten met verschillende grondeigenaars en beheerders, waaronder het Agentschap voor Natuur en Bos en de organisaties die betrokken zijn bij het beheer van de erfgoedsite.
Tijdens ons bezoek vertelt Pieter over de onzekerheid rond de verlenging van zijn overeenkomsten, waaronder die voor het onderhoud van gronden van Toerisme Vlaanderen die door Herita worden beheerd. Hij heeft jarenlang mee zorg gedragen voor dit landschap, maar die opgebouwde ervaring en betrokkenheid bieden hem geen vanzelfsprekende zekerheid dat hij het beheer ook in de toekomst kan voortzetten.
Die onzekerheid bemoeilijkt ook investeringen op langere termijn. Pieter vertelt bijvoorbeeld hoe de onzekere toekomst van zijn grondgebruik hem ervan heeft weerhouden om bepaalde investeringen te doen. Een eigen stal bouwen is een heel andere beslissing wanneer je niet weet onder welke voorwaarden je de omliggende gronden in de toekomst kunt blijven gebruiken.
Ook het dagelijkse beheer wordt door die afhankelijkheid beïnvloed. Pieter vertelt over overeenkomsten waarin maaien en nabegrazing zijn voorzien, maar waarbij de praktische voorwaarden om dieren op het terrein te brengen niet altijd tijdig in orde zijn. Een perceel kan op papier beschikbaar zijn voor begrazing, maar wanneer de omheining onvoldoende functioneert, kan hij zijn dieren er niet zomaar opzetten.
Dat raakt aan een fundamenteel probleem dat veel verder reikt dan Herkenrode. We verwachten van landbouwers dat ze investeren in bodemkwaliteit, biodiversiteit en landschapszorg. Maar zulke investeringen leveren vaak pas op langere termijn resultaten op. Wie geen zekerheid heeft over het gebruik van de grond, kan moeilijk dezelfde beslissingen nemen als iemand die weet dat hij er over twintig of dertig jaar nog zal werken.

Wie betaalt voor landschapszorg?
Pieter benadrukt meermaals dat zijn bedrijf economisch leefbaar is. Zijn argument is eenvoudig: hij doet het tenslotte al 23 jaar. Maar de vraag is tegen welke prijs. Hoeveel arbeid levert de ondernemer zelf? Welk inkomen houdt hij eraan over? Welke investeringen blijven achterwege? En hoeveel tijd gaat verloren aan administratie, onderhandelingen en conflicten?
Die vragen zijn des te relevanter omdat Pieter niet alleen landbouwproducten voortbrengt, maar ook werkzaamheden uitvoert die een maatschappelijke waarde hebben. Het onderhoud van graslanden, hagen, houtkanten en andere landschapselementen draagt bij aan doelstellingen die ook door natuur- en erfgoedbeheerders worden nagestreefd.
Pieter maakt daarbij een onderscheid tussen zijn rol als landbouwer en die van een aannemer. Hij leeft in de eerste plaats van de opbrengsten van zijn vee. Het gras dat hij uit natuurgebieden haalt, heeft voor hem een economische waarde omdat hij er zijn dieren mee kan voeden. Hij hoeft dus niet op dezelfde manier vergoed te worden als een aannemer die uitsluitend voor het maaien wordt betaald.
Maar daarmee is de rekening volgens hem niet gemaakt. Hij vertelt dat aannemers voor bepaalde beheerwerken aanzienlijk hogere vergoedingen krijgen dan de bedragen die hij zelf voor een vergelijkbare inzet vraagt. Volgens Pieter wordt bij de vergoeding voor landschapsbeheer onvoldoende rekening gehouden met de manier waarop een landbouwer het werk combineert met zijn bedrijfsvoering en met de bijkomende zorg die hij voor het landschap opneemt.
Een ander voorbeeld is het onderhoud van hagen en knotbomen. Veel van die landschapselementen hadden vroeger een duidelijke economische functie. Knotwilgen en andere knotbomen leverden regelmatig brandhout en gebruikshout op. Het hout werd gebruikt om woningen te verwarmen en wat overbleef, kon eventueel worden verkocht. Het periodieke knotten was daardoor een vanzelfsprekend onderdeel van de landbouwbedrijfsvoering.
Vandaag is die economische functie grotendeels verdwenen. We beschouwen knotbomen vooral als waardevolle landschapselementen, belangrijk voor de biodiversiteit, het landschap en het behoud van ons agrarisch erfgoed. Maar het onderhoud ervan is niet minder arbeidsintensief geworden. Integendeel, knotten is tijdrovend, fysiek zwaar en vaak ook gevaarlijk werk, zeker wanneer bomen jarenlang niet zijn onderhouden.
Het behoud van een historisch landbouwlandschap vraagt voortdurend werk. Wanneer de economische opbrengst van dat werk verdwijnt, kunnen we niet vanzelfsprekend verwachten dat landbouwers het onderhoud op eigen kosten blijven uitvoeren. Als we die landschapselementen belangrijk vinden, moeten we ook nadenken over wie de verantwoordelijkheid en de kosten voor hun behoud draagt.

Tussen verschillende werelden
Tijdens ons gesprek wordt duidelijk hoeveel tijd en energie Pieter besteedt aan de omgang met verschillende overheden en beheerders. Landbouw, natuurbeheer en erfgoedzorg hebben elk hun eigen regelgeving, procedures en financiële instrumenten. Op het terrein maken ze deel uit van hetzelfde landschap, maar institutioneel worden ze vaak afzonderlijk behandeld.
Pieter beschrijft hoe dat tot onzekerheid, administratieve problemen en soms tegenstrijdige verwachtingen leidt. Zijn kritiek is uitgesproken, maar niet ongenuanceerd. Hij vertelt ook over goede samenwerkingen met mensen van ANB en andere organisaties. Op het terrein blijken oplossingen soms mogelijk die binnen de administratieve structuren veel moeilijker tot stand komen.
Hij geeft voorbeelden van situaties waarin een beheerafspraak volgens hem niet goed aansluit bij de werkelijke toestand van een perceel. Een grasland dat in het ene jaar zo nat is dat er nauwelijks machines op kunnen, kan het volgende jaar vrijwel droog liggen. Een vast maaischema houdt niet altijd rekening met die variatie. Pieter vraagt daarom ruimte voor maatwerk en voor de ervaring van mensen die het gebied dagelijks gebruiken.
Het is verleidelijk om daarin een eenvoudig conflict tussen een landbouwer en de overheid te zien. Maar dat zou Pieters verhaal tekortdoen. Hij verzet zich niet tegen natuurbeheer. Integendeel, hij beschouwt het als een essentieel onderdeel van zijn werk. Zijn frustratie ontstaat juist doordat hij landbouw en landschapsbeheer probeert te combineren, terwijl de regels en organisaties waarmee hij te maken heeft die samenhang niet altijd lijken te ondersteunen.
We spreken steeds vaker over natuurinclusieve landbouw, agro-ecologie en ecosysteemdiensten. Maar de praktische uitvoering daarvan vraagt meer dan goede bedoelingen. Ze veronderstelt zekerheid over grondgebruik, een eerlijke vergoeding voor geleverde prestaties en voldoende ruimte om beheer aan te passen aan de omstandigheden op het terrein.

De waarde van blijven zorgen
Aan het einde van onze rondgang komen we terug bij de Tuitermolen, de historische watermolen aan de Demer waar Pieter woont. Van hieruit kijken we over de rivier naar het landschap van Herkenrode, met de abdij in de verte.
Ik denk terug aan de akkers, de bloeiende graslanden, de schapen, de runderen en de natte zones die we onderweg hebben bezocht. Geen verzameling uitzonderlijke natuurpareltjes, maar een robuust landschap waarvan de verschillende onderdelen nog een grote samenhang vertonen.
In mijn eigen werk proberen we op veel plaatsen traditionele beheerpraktijken opnieuw in te voeren om aangetaste halfnatuurlijke ecosystemen te herstellen. Bij Pieter zie ik hoe zulke praktijken ook onderdeel kunnen blijven van een levend landbouwbedrijf. Niet als een nostalgische reconstructie van het verleden, maar als een hedendaagse manier om met het landschap om te gaan.
Dat maakt zijn verhaal bijzonder. Niet omdat zijn aanpak overal toepasbaar zou zijn, of omdat iedere beheerkeuze boven discussie verheven is. Wel omdat hij laat zien wat langdurige betrokkenheid, terreinkennis en vakmanschap kunnen betekenen wanneer landbouw en landschapszorg niet als afzonderlijke opdrachten worden beschouwd.
Tegelijkertijd is het moeilijk om voorbij te gaan aan de kwetsbaarheid van zijn positie. Pieter heeft zijn leven en werk verbonden aan een landschap waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt, maar waarvan hij de toekomst niet alleen kan bepalen. De voortdurende onzekerheid over grondgebruik, vergoedingen en regelgeving maakt die verantwoordelijkheid bijzonder zwaar.
Wanneer ik hem aan het einde van ons gesprek vraag waarom hij ondanks alles blijft doorgaan, antwoordt hij met een wat gechargeerde verhouding. De twintig procent van zijn tijd die hij buiten op zijn akkers, in de graslanden en tussen zijn dieren doorbrengt, maakt de overige tachtig procent aan discussies met instanties voor hem nog altijd de moeite waard.
Het is een uitspraak die veel vertelt over zijn motivatie, maar ook over de omstandigheden waarin hij moet werken. De zorg voor het landschap geeft hem voldoening. De vraag is hoelang we van mensen als Pieter kunnen blijven verwachten dat die voldoening voldoende is om de rest te dragen.

