Leren kijken naar wat een landschap nodig heeft
Wie vanuit het zuiden het Walenbos binnenrijdt, daalt via steile holle wegen af naar een landschap dat nauwelijks lijkt te passen in het dichtbevolkte Vlaanderen. De hellingen sluiten zich achter je, het verkeer verdwijnt en tussen de bomen wordt het stil. Niet de relatieve stilte die we in onze natuurgebieden gewoon zijn, met ergens op de achtergrond een autostrade of een vliegtuig op weg naar Zaventem, maar echte rust. Splendid isolation is misschien een wat romantische omschrijving, maar ik ken in het Hageland weinig plekken waar ik dat gevoel zo sterk ervaar.

Het Walenbos ligt in het centrale Hageland, in de vallei van de Motte, ingesloten tussen de Houwaartseberg in het noorden en de Roeselberg en Alsberg in het zuiden. Die heuvels zijn restanten van oude zandbanken uit de Diestiaanzee, meer dan vijf miljoen jaar geleden gevormd en later door ijzerzandsteen verstevigd. Daartussen ligt vandaag een natte vallei met bossen, bronnen, grachten, graslanden en kwelzones. Het is een landschap waarin verschillen in hoogte, bodem en grondwater op korte afstand voor sterk verschillende omstandigheden zorgen.
Wat mij in het Walenbos misschien nog het meest verbaast, is hoeveel verschillende habitattypen hier op een relatief kleine oppervlakte naast elkaar voorkomen. Op de hoger gelegen, droge en zure zandgronden groeien eiken- en beukenbossen, terwijl op rijkere bodems eiken-haagbeukenbossen voorkomen. Lager op de hellingen verandert de vegetatie onder invloed van het grondwater, tot je uiteindelijk in de natte valleibodem terechtkomt, waar uitgestrekte elzenbroekbossen het landschap bepalen. Het Walenbos herbergt het grootste elzenbroekbos van Vlaanderen, een bostype dat sterk afhankelijk is van een hoge grondwaterstand en de aanvoer van kwelwater.

Tussen die bossen liggen open plekken met vochtige hooilanden, soortenrijke schrale graslanden en ruigten. Op de voedselarmste, permanent natte plekken kunnen zich veenmosvegetaties en overgangs- en trilvenen ontwikkelen, terwijl hogerop ook heidevegetaties voorkomen. Op korte afstand wisselen droge en natte, zure en voedselrijkere omstandigheden elkaar af. Die verscheidenheid maakt het Walenbos niet alleen bijzonder rijk aan habitats, maar laat ook zien hoe sterk de vegetatie wordt bepaald door de onderliggende geologie, de bodem en vooral de waterhuishouding. Het is alsof je tijdens een wandeling door het gebied verschillende ecologische werelden doorkruist.
Ook historisch is het Walenbos veel minder statisch dan het op het eerste gezicht lijkt. Wat vandaag als één groot boscomplex wordt ervaren, bestond vroeger deels uit natte graslanden en beemden. Percelen werden ontwaterd, er werd turf gewonnen en bossen werden als hakhout of middelhout beheerd. Een dicht netwerk van greppels en grachten getuigt nog altijd van de pogingen om het natte landschap bruikbaar te maken. Het huidige Walenbos is geen overblijfsel van een onaangeroerd verleden, maar een landschap dat eeuwenlang door menselijk gebruik en water werd gevormd.
Sinds bijna twee jaar werk ik hier met mijn ploeg in het kader van LIFE HARWIN. Van alle gebieden waarin ik in het Hageland werk, is het Walenbos mijn favoriete plek geworden. Dat heeft met de omvang en vooral met de rust te maken, maar ook met wat ik hier heb geleerd. Het Walenbos is voor mij een leerschool geworden in natuurherstel. Niet alleen in het herkennen van soorten, maar vooral in het leren kijken naar een terrein en begrijpen wat het op een bepaald moment nodig heeft.

De Sengsenbeemd
Een belangrijk deel van ons werk speelt zich af rond de Sengsenbeemd. Het zijn natte graslanden waar de keuze van de machine al begint voordat er één meter gemaaid is. Met een tractor maaien is hier uitgesloten. Zelfs tijdens de droogste periodes blijft de bodem daarvoor te nat. We werken daarom bijna altijd met een combinatie van een enkelassige trekker en bosmaaiers. Met de enkelasser maaien we het grootste deel van het grasland. Waar zich veel veenmos heeft ontwikkeld, nemen we de bosmaaier.
Daar wordt het werk bijzonder fijnmazig. Het veenmos wordt kort geschoren. Het doel is niet om het af te maaien, maar om te voorkomen dat het te snel omhoog groeit en om een lage, dichte veenmosvegetatie te ontwikkelen. In die natte, zure en voedselarme omstandigheden kunnen soorten als zonnedauw een plek vinden. Het is een vorm van beheer die je onmogelijk kunt uitvoeren door alleen een algemeen maaivoorschrift te volgen. Je moet zien wat er onder je voeten groeit en voortdurend de manier waarop je werkt aanpassen.
Voor mij was veenmos twee jaar geleden weinig meer dan een naam. Inmiddels weet ik hoe belangrijk het kan zijn voor de ontwikkeling van een terrein en hoe voorzichtig we ermee moeten omgaan. Hetzelfde geldt voor veel van de planten die ik hier voor het eerst leerde kennen. Op de Sengsenbeemd zag ik mijn eerste moeraskartelblad, naast orchideeën, klokjesgentiaan en klein glidkruid. Die soortenkennis verandert ook de manier waarop we werken.

Niet alles maaien
Voor we beginnen, bekijken we niet alleen of de bodem een bepaalde machine kan dragen. We beslissen ook welke delen we die dag niet zullen maaien. Dat zijn vaak de minst productieve en al sterkst verschraalde delen van het perceel, maar ook zones waar op dat moment veel bloemen staan en waar we veel insecten en vlinders zien. Individuele planten of vegetaties kunnen eveneens worden uitgespaard. Orchideeën bijvoorbeeld, maar ook opvallende pollen pluimzegge.
Dat gefaseerde maaien is belangrijk. Maaien en afvoeren is noodzakelijk om voedselarme, soortenrijke graslanden te herstellen, maar dezelfde maaibeurt is voor de aanwezige fauna een ingrijpende gebeurtenis. Wanneer een perceel volledig wordt kaalgezet, verdwijnen in één beweging bloemen, dekking, voortplantingsplaatsen en overwinteringsmogelijkheden. Door delen te laten staan, blijven er plekken waar insecten en andere dieren voedsel en beschutting vinden. Efficiëntie in natuurherstel betekent daardoor iets anders dan een perceel zo snel en volledig mogelijk afwerken. Soms bestaat goed beheer juist uit wat je bewust laat staan.

Na het maaien laten we het maaisel doorgaans een dag op het terrein liggen. Het droogt en zaden krijgen de kans los te komen. Daarna moet de biomassa zo snel en volledig mogelijk worden afgevoerd. Ook daarvoor bestaat geen standaardmethode. Wanneer de bodem voldoende draagkracht heeft, gebruiken we een Multitwister voor de enkelasser. Die verzamelt het maaisel en duwt het voor zich uit. Naarmate de hoeveelheid groeit, wordt die massa echter steeds zwaarder. Op een droge bodem is dat geen probleem, maar op een natte Sengsenbeemd kan precies die efficiëntie een nadeel worden. Het gewicht kan sporen trekken en de bodem beschadigen.
Dan kiezen we voor een andere methode. Met een bandkeerder op de enkelasser leggen we het maaisel eerst op ruggen. Daartussen trekken we een groot zeil waarop het maaisel wordt geschept. Met een boslier aan de tractor trekken we het zeil vervolgens van het perceel. Het klinkt omslachtig, maar het gaat verrassend snel en het zeil oefent nauwelijks druk uit op de bodem.
Wanneer het grootste deel van het maaisel weg is, zijn we nog niet klaar. Er blijft altijd losse biomassa achter. Die blazen we met bladblazers bijeen en voeren we eveneens af. Dat detail lijkt misschien overdreven, maar precies door biomassa consequent weg te halen, onttrekken we voedingsstoffen aan het systeem. Maaien is daardoor maar één stap in een veel langer proces.



Niet de kalender maar het terrein
Een van de dingen die mij de afgelopen twee jaar het meest hebben verbaasd, is hoe hardnekkig sommige gewoontes binnen het natuurbeheer kunnen zijn. Veel van ons huidige graslandbeheer is nog altijd geïnspireerd op landbouwpraktijken uit de 19de en vroege 20ste eeuw. Dat is op zich begrijpelijk, want juist die traditionele landbouwmethoden hebben mee de soortenrijke hooilanden gevormd die we vandaag zo waardevol vinden. Maar het landschap waarin die methoden ontstonden, verschilt op een aantal fundamentele punten van het landschap waarin we vandaag werken.
In de eerste plaats is er de eutrofiëring. Door bemesting, atmosferische stikstofdepositie en andere vormen van nutriëntenaanvoer zijn veel graslanden in de loop van de voorbije eeuw aanzienlijk voedselrijker en productiever geworden. Snelgroeiende soorten profiteren daarvan en kunnen de vegetatie domineren, waardoor kleinere en trager groeiende soorten steeds minder kansen krijgen. Wie zulke graslanden wil herstellen, moet vaak vroeger en intensiever maaien om die concurrentie terug te dringen en door het afvoeren van biomassa de voedselrijkdom geleidelijk te verminderen.
Daarnaast is er de klimaatverandering. Door de stijgende temperaturen begint het groeiseizoen gemiddeld vroeger en duurt het langer. De vegetatieontwikkeling volgt daardoor niet noodzakelijk meer het ritme waarop traditionele maaikalenders gebaseerd zijn. Een maaibeurt die vroeger op het juiste moment viel, kan vandaag te laat komen om dominante soorten voldoende terug te dringen. Omgekeerd kunnen ook bloei en zaadzetting van waardevolle planten verschuiven, waardoor een vaste maaidatum niet altijd de gewenste resultaten oplevert.

Toch lijken die veranderingen nog onvoldoende door te dringen in sommige beheerpraktijken. Maaien gebeurt soms nog volgens een vaste kalender of volgens wat organisatorisch het gemakkelijkst uitvoerbaar is. Ook de bekende datum van 15 juni, afkomstig uit het Vlaamse Bermbesluit van 1984, heeft bijgedragen aan het idee dat ecologisch maaien pas vanaf midden juni begint. Maar een regel voor bermbeheer is geen universele richtlijn voor natuurgraslanden, en traditionele maaidata kunnen niet zonder meer worden toegepast op graslanden die vandaag veel productiever zijn en onder veranderende klimatologische omstandigheden groeien. Goed natuurherstel vraagt daarom dat we de timing en intensiteit van het beheer voortdurend afstemmen op de actuele toestand en ontwikkeling van het terrein.
Op sommige percelen in de Hagelandse Vallei is bijvoorbeeld nog een sterke dominantie van witbol aanwezig, in combinatie met bosbies. De vegetatie is er zo productief en groeit zo snel dicht dat wachten tot midden juni precies de soorten bevoordeelt die we proberen terug te dringen. Daar maaien we een eerste keer in mei, vervolgens opnieuw in augustus en een laatste keer in oktober of zelfs november, zodat het grasland kort de winter ingaat.

Dat intensieve beheer is niet bedoeld om eeuwig door te gaan. Het is een herstelfase. Wanneer voldoende biomassa en voedingsstoffen uit het systeem verdwijnen, neemt de productie af. Dominante snelgroeiende soorten verliezen terrein en soorten van schralere omstandigheden krijgen opnieuw ruimte. Na enkele jaren kan het aantal maaibeurten daardoor verminderen. Uiteindelijk kan op een goed ontwikkeld schraal grasland één maaibeurt voldoende zijn. Op delen van de Sengsenbeemd beginnen we die evolutie ondertussen te zien. We zijn er nog niet overal, maar sommige stukken worden duidelijk minder productief en ontwikkelen zich goed. Precies daarin zit voor mij een groot deel van de voldoening van dit werk: je ziet het terrein veranderen.
Vroeg maaien is evenmin een nieuwe algemene regel. Dit voorjaar stond op een van onze graslanden de orchideeënvegetatie uitzonderlijk vroeg in bloei. Maaien zou op dat moment betekenen dat de planten werden afgezet voordat ze zaad konden vormen. Orchideeën maken na zo’n maaibeurt niet eenvoudig een tweede bloeistengel. Daarom hebben we daar bewust gewacht tot ze rond midden juni waren uitgebloeid en de zaadzetting voldoende gevorderd was. Op het ene perceel kan wachten tot juni dus te laat zijn, terwijl maaien in mei op een ander perceel te vroeg kan zijn. Dat is voor mij de essentie: niet de kalender bepaalt wanneer we maaien, maar het terrein.
Kennis en terreinkennis
Die beslissingen nemen we niet in een vacuüm. Een van de grote voordelen van werken binnen LIFE HARWIN is de hoeveelheid kennis die rond het project aanwezig is. Wetenschappelijke partners zoals de Universiteit Antwerpen en Plantentuin Meise werken samen met terreinbeheerders. Daarnaast werken we nauw samen met de boswachters van het Agentschap voor Natuur en Bos en met de mensen van Natuurpunt. Die wetenschappelijke en ecologische expertise vormt samen met de ervaring van de terreinbeheerders een brede kennisbasis waarop we tijdens het werk kunnen terugvallen.
Maar uiteindelijk staan wij ’s morgens met onze machines op het terrein. Daar moet die kennis worden gecombineerd met wat we op dat moment aantreffen. Hoe nat is de bodem vandaag? Welke vegetatie staat waar? Wat bloeit er? Wat staat in zaad? Waar zien we veel insecten? Kan de enkelasser hier rijden zonder schade te veroorzaken? Moeten we een stuk met de bosmaaier doen? Kan de Multitwister erop of moeten we met zeilen werken? Die beslissingen kunnen niet maanden vooraf volledig op een kaart worden vastgelegd.

Onze ploeg bestaat uit drie mensen. Ik heb het geluk te werken met twee zeer gemotiveerde en bekwame collega’s. Na bijna twee jaar is onze manier van werken zo vanzelfsprekend geworden dat er tijdens een werkdag vaak weinig woorden nodig zijn. Iedereen kent het proces en iedereen kan de verschillende taken uitvoeren. Ook daarin zit efficiëntie. Gedetailleerd natuurherstel hoeft niet te betekenen dat alles met de hand moet gebeuren. Integendeel. Het werk is fysiek zwaar genoeg om spierkracht alleen te gebruiken wanneer ze werkelijk nodig is.
We zullen geen bosmaaier gebruiken wanneer de enkelasser hetzelfde werk kan doen zonder het terrein te beschadigen. We slepen geen maaisel op zeilen wanneer de Multitwister veilig kan worden ingezet. En ook bij boswerk sleuren we geen stammen met de hand wanneer een boslier of frontlader het werk kan overnemen. Machines zijn daarbij geen tegenstelling tot zorgvuldig natuurbeheer. Verkeerd ingezet kunnen ze schade veroorzaken, maar goed gekozen maken ze het mogelijk om dit werk efficiënt en langdurig vol te houden. Ook de mensen die natuur herstellen moeten tenslotte duurzaam met hun eigen lichaam omgaan.
Een landschap dat antwoordt
Ons werk rond de Sengsenbeemd beperkt zich niet tot de graslanden. In het voorjaar hebben we in een aangrenzend eikenbos de hazelaars opnieuw in hakhout gezet. De ondergroei bestond er vrijwel volledig uit hazelaar, aangevuld met enkele wilgenkoepels die eveneens werden verwijderd. In overleg met de boswachters en de wetenschappelijke partners binnen LIFE HARWIN kozen we ervoor de ondergroei open te zetten, zodat opnieuw meer licht op de bosbodem valt en onder meer parelgras betere kansen krijgt. De hazelaars lopen ondertussen alweer uit.
Veel verder wil ik daar voorlopig niet op vooruitlopen. De komende maanden beginnen we in de Dolaag aan een uitgebreider stuk hakhoutbeheer, met hazelaar, haagbeuk en een aantal eiken. Ook in Het Broek staat een ingrijpend herstelproject op het programma waarbij bestaand trilveen wordt uitgebreid. Beide verdienen hun eigen verhaal wanneer we er daadwerkelijk aan het werk zijn geweest.
Precies dat is wat het Walenbos mij heeft geleerd: natuurherstel begrijp je uiteindelijk pas wanneer je lang genoeg op dezelfde plek werkt. Je leert een terrein lezen. Je weet waar het water na een natte periode blijft staan en waar de bodem sneller draagkracht krijgt. Je begint te zien welke stukken productiever zijn en welke verschralen. Je herkent planten die twee jaar geleden onbekend waren en begrijpt stilaan waarom ze precies daar groeien. Je leert dat een bloemenrijke strook laten staan evenzeer beheer is als ze maaien. Na enkele jaren intensief maaien neemt de productie af, worden dominante vegetaties minder dominant en ontstaat ruimte voor andere soorten. Een perceel dat aanvankelijk drie maaibeurten nodig had, kan uiteindelijk met veel minder beheer verder. Zo zie je het landschap langzaam antwoorden.

Dat is misschien de grootste voldoening die ik in het Walenbos vind. Natuurlijk is er de rust. Wanneer we via de holle wegen afdalen en het geluid van de buitenwereld verdwijnt, blijft dit voor mij een van de weinige plekken in het Hageland waar je werkelijk het gevoel hebt ergens helemaal buiten te zijn. Minstens even belangrijk is dat we hier kunnen zien dat ons werk effect heeft.
Natuurherstel is traag werk. Veel van wat we doen zal pas over jaren volledig zichtbaar worden. Toch zijn er plekken op de Sengsenbeemd waar de verandering nu al begint. Wanneer je bijna twee jaar op dezelfde graslanden hebt gemaaid, maaisel hebt afgevoerd, stroken hebt uitgespaard, machines uit het veenmos hebt gehouden en telkens opnieuw hebt geprobeerd de juiste keuze te maken, krijgt zo’n verandering een bijzondere betekenis. Het landschap wordt niet wat wij ervan willen maken. We proberen vooral steeds beter te begrijpen wat het nodig heeft, en in het Walenbos krijgen we daar langzaam antwoord op.