Vijf dagen onderweg met mijn zoon

Zolang ik me kan herinneren, trekken mijn zoon Emiel en ik minstens één keer per jaar samen op avontuur. Het begon toen hij vier was, met korte wandelingen dicht bij huis. Naarmate hij ouder werd, werden de tochten langer en de uitdagingen groter. Wat hetzelfde bleef, was het eenvoudige idee om enkele dagen samen onderweg te zijn.

We trokken al over het Plateau du Vercors. Deze keer kozen we voor het Parc national de la Vanoise in de Franse Alpen. Vijf dagen zullen we onderweg zijn, van Bonneval-sur-Arc door het hooggebergte en uiteindelijk terug naar de vallei. Onze bivibags en uitrusting dragen we zelf, maar bij de refuges zullen we bivakkeren en ’s avonds eten. Het is een compromis tussen de zelfstandigheid die we graag hebben en het comfort van een warme maaltijd na een lange dag.

De avond voor ons vertrek slapen we op een kleine camping bij Bessans, in de vallei van de Arc. De volgende ochtend rijden we naar Bonneval-sur-Arc, aan de voet van de Col de l’Iseran. Langzaam verdwijnen de stenen huizen met hun leistenen daken achter ons wanneer we langs de Arc stroomafwaarts beginnen te wandelen.

De vallei uit

De eerste kilometers zijn gemakkelijk. We volgen de rivier richting Bessans en lunchen na ongeveer tien kilometer. Bij Le Collet vullen we onze waterflessen voordat het pad eindelijk de vallei verlaat. Over drie kilometer stijgen we ongeveer zevenhonderd meter door dicht bos. Met volle rugzakken voelen we meteen dat de tocht nu echt begonnen is.

Boven het bos opent het landschap zich. De helling wordt minder steil en maakt plaats voor alpenweiden. Tegen de avond bereiken we Refuge du Vallonbrun, waar we onze bivibags uitrollen. Met huisgemaakte limonade voor ons kijken we hoe het laatste licht over de bergen schuift.

Tussen mist en alpenweiden

De volgende ochtend hangt er mist rond de refuge. Tijdens de klim naar Plan de la Cha verdwijnen de bergen grotendeels in de wolken. Overal komt smeltwater van de hellingen en zoekt in kleine stroompjes zijn weg naar beneden. Af en toe breekt een stuk blauwe lucht door de mist.

Bij de onbemande Refuge du Cuchet klaart het op. Daar zetten we koffie en kijken uit over het groene landschap dat langzaam onder de wolken vandaan komt. Daarna daalt het pad opnieuw door bossen, langs beekjes en door bloemrijke weiden.

Na ongeveer tien kilometer begint een lange klim. Eerst gaat het door dicht bos, daarna door steeds opener terrein. Geleidelijk verdwijnen de bomen en maken ze plaats voor gras, rotsen en uiteindelijk het hooggebergte. Via Plan du Lac bereiken we onze volgende bivakplek. Vanuit onze bivibags kijken we uit op de Grande Motte en de Grande Casse, met 3855 meter de hoogste berg van het nationaal park.

Hoger het gebergte in

Op de derde dag verandert het karakter van de tocht. We vertrekken door alpenweiden waar vee graast en zien onze eerste marmotten. Bij de afgelegen Refuge de la Femma stoppen we om iets te drinken voordat we aan de eerste serieuze klim van de dag beginnen.

Hoe hoger we komen, hoe kaler het landschap wordt. De weiden verdwijnen en tussen de rotsen liggen steeds meer sneeuwvelden. Bij de Col de la Rocheure houden we halt boven een turquoise gletsjermeer. Daar zetten we koffie en kijken naar het terrein dat achter ons ligt en naar wat aan de andere kant van de col wacht.

Eenmaal over de col wordt het landschap ruiger. Smeltwater loopt over en onder het pad, waardoor het soms nauwelijks zichtbaar is. Voor ons ligt een brede vallei tussen gletsjers en gekartelde toppen. Een snelstromende bergbeek wijst min of meer de richting naar Refuge du Fond des Fours.

Het landschap is kaal en groots. Er is weinig dat de schaal breekt, behalve de refuge zelf. Na de groene valleien van de eerste dagen voelt het alsof we een ander gebergte zijn binnengelopen.

De vierde ochtend beginnen we meteen te klimmen naar de Col des Fours, een van de hoogste punten van onze route. Er ligt nog veel sneeuw. Tegen sommige rotswanden zijn metershoge pakketten blijven liggen en tijdens de afdaling zakken we geregeld diep weg in de zachte sneeuw.

Voorbij het meer bij de Ancien Glacier de la Jave dalen we verder tot aan Pont de la Neige. Daar begint opnieuw een klim, ditmaal over het Sentier Balcon. Hoog boven de vallei van de Arc biedt het pad uitzicht op het massief van de Ouilles de Trièves.

Aan het einde van de dag bereiken we Refuge du Carro. De hut ligt hoog boven de vallei, bij twee bergmeren en omringd door rotsen en sneeuwvelden. Hier rollen we voor de laatste keer onze bivibags uit.

Terug naar de vallei

De volgende ochtend begint onze afdaling naar l’Écot. In enkele uren zien we het landschap opnieuw veranderen. Langzaam verdwijnen de rotsen en sneeuw en maken ze plaats voor gras en uiteindelijk de groene vallei van de Arc.

Na dagen in het hooggebergte voelt de terugkeer bijna vreemd. Het geluid van de rivier wordt luider, er verschijnen opnieuw bomen en niet veel later ook de eerste huizen. Tegen de middag zijn we beneden. Eerst zwemmen we in de Arc, daarna zoeken we een restaurant voor steak-frites.

Samen onderweg

Tijdens deze tocht is me iets opgevallen wat waarschijnlijk al langer aan het gebeuren was. De eerste tochten met Emiel draaiden vanzelfsprekend rond een vader die zijn zoon meenam. Ik bepaalde de route, hield het weer in de gaten en besliste wanneer we stopten of verdergingen. Onderweg probeerde ik hem dingen te leren die ik zelf in de bergen had geleerd.

In de Vanoise werkt dat niet meer zo. Wanneer we een sneeuwveld oversteken, zoeken we samen naar de beste lijn. Verdwijnt het pad, dan kijken we allebei naar kaart en terrein. Soms loopt hij voorop, soms ik. Beslissingen worden besproken in plaats van uitgelegd. Zonder dat er een duidelijk moment is geweest waarop dat veranderde, loop ik niet meer met een kind door de bergen maar met een jonge man die er even goed zijn weg vindt als ik.

Misschien is dat ook waarom die jaarlijkse tochten voor mij steeds belangrijker zijn geworden. Niet omdat ze telkens moeilijker of spectaculairder moeten worden. De kilometers, hoogtemeters en cols zijn achteraf vooral het decor waartegen iets anders gebeurt. We hebben tijd om te praten, maar even vaak lopen we uren zonder veel te zeggen.

Toen Emiel vier was, betekende samen op avontuur gaan iets anders dan nu. Toch loopt er een rechte lijn van die eerste kleine wandelingen naar deze vijf dagen in de Vanoise. De afstanden zijn groter geworden, de bergen hoger en de rugzakken zwaarder. Wat gebleven is, is het plezier om samen onderweg te zijn.