Tussen wildwater en kalksteen
Op vrijdagavond om half acht rijden Emiel en ik Wildalpen binnen. We hebben bijna duizend kilometer achter de rug en zijn hier voor een weekend wildwaterkajakken met Uwe en zijn zoon Emilian. Uwe vaart al twintig jaar als riviergids op de Salza en andere rivieren in Oostenrijk, Duitsland, Slovenië en Italië. Volgens hem is de Salza een van de mooiste kajakrivieren van de oostelijke Alpen. Dat willen we graag zelf ontdekken.
De laatste uren van de rit hebben we langs de Enns gereden, dwars door Nationalpark Gesäuse. De rivier heeft zich hier diep tussen de kalkmassieven van de Noordelijke Kalkalpen gesneden. Boven het water rijzen steile beboste hellingen en rotswanden op, met de Hochtor als hoogste punt van het gebied. Het landschap is indrukwekkend, maar wat vooral mijn aandacht trekt zijn de stroomversnellingen beneden ons.
We stoppen een paar keer om te kijken. Het water is wild en op sommige plaatsen ronduit intimiderend. De zware passages op de Enns liggen duidelijk boven ons niveau en ik begin me af te vragen wat we ons op de hals hebben gehaald. Emiel is veertien en hoewel we allebei ervaring hebben op wildwater, is de mijne wat roestig geworden. Het helpt niet dat de rivier die we vanuit de auto zien bepaald geen vriendelijke indruk maakt.




De Salza
Na een enigszins onrustige nacht op de camping langs de Salza haalt Uwe ons de volgende ochtend op. Mijn eerste vraag is voorspelbaar: is dit wel een rivier voor een veertienjarige kajakker en zijn vader?
Uwe stelt me gerust. De Salza is niet de Enns. De rivier wisselt rustige stukken af met passages van klasse II en III. Je moet kunnen varen en weten wat je op wildwater doet, maar onder normale omstandigheden is het vooral een rivier waarop techniek en speelplezier samenkomen.
Even later staan we aan het water. Vandaag varen we van Wildalpen naar Erzhalden. Eerst neopreen aan, lunch en materiaal bijeenzoeken en vervolgens de klassieke logistiek die bij een rivierafdaling hoort: auto’s naar het eindpunt brengen en terugkeren naar de instapplaats. Tegen de tijd dat alles geregeld is, is het tien uur wanneer we eindelijk in onze kajaks zitten.
Vanaf de eerste meters begrijp ik waarom Uwe zo enthousiast is over deze rivier. Het water is uitzonderlijk helder en heeft die blauwgroene kleur die bijna onwerkelijk lijkt tegen de donkere bossen en grijze kalksteen. Er staat voldoende stroming om voortdurend bezig te blijven, maar de rivier is overzichtelijk en geeft ons tijd om opnieuw in het ritme te komen.
Emiel en Emilian hebben daar duidelijk minder tijd voor nodig. Iedere golf wordt een aanleiding om te surfen en al snel lijkt er een kleine wedstrijd te ontstaan over wie het langst op een golf kan blijven hangen. Ik doe het wat rustiger aan en voel mijn oude automatismen langzaam terugkomen. Na een tijdje verdwijnt ook de onrust waarmee ik de avond ervoor naar de Enns stond te kijken.
Na vijftien kilometer en ongeveer vier uur varen bereiken we Erzhalden. De kajaks moeten vanuit de kloof naar boven worden gesjouwd, een karwei dat na een dag op het water zwaarder voelt dan het waarschijnlijk is. Eenmaal boven zijn we vooral benieuwd naar morgen. Het moeilijkere traject wacht stroomafwaarts.

Dieper de kloof in
De volgende ochtend stappen we in Erzhalden opnieuw in. Tussen hier en Landl verandert het karakter van de Salza. De rivier vernauwt zich en de rotswanden komen dichterbij. De stroomversnellingen worden technischer en volgen elkaar sneller op.
Dit is het wildwater waarvoor we gekomen zijn.
De rivier trekt ons een canyon in waar het water zich tussen kalksteen en bos een weg heeft gebaand. We varen langs grote, door het water uitgesleten grotten en door passages waarin weinig tijd overblijft om naar het landschap te kijken. De lijn kiezen, anticiperen op de volgende stroming, de kajak op het juiste moment kantelen en blijven peddelen.
Ergens onderweg gaat het bij mij mis en lig ik plots in het water. Geen drama, wel een doeltreffende herinnering dat wildwater weinig belangstelling heeft voor hoeveel ervaring je vroeger ooit had. Na mijn onvrijwillige zwempartij klimmen we verder stroomafwaarts opnieuw in de boten.
Dertien kilometer en ongeveer vier uur later bereiken we het einde van ons traject, niet ver van de plaats waar de Salza in de Enns uitmondt. Twee dagen eerder kende ik deze rivier alleen van naam. Nu begrijp ik waarom kajakkers er telkens naar terugkeren. Ze combineert technisch interessant wildwater met een omgeving die voortdurend aanwezig blijft. Niet als achtergrond, maar als onderdeel van de ervaring.




Van rivier naar berg
Na twee dagen op het water besluiten we nog een dag te blijven. We hebben Gesäuse tot nu toe vooral vanuit de rivieren gezien en willen ook de bergen in. Uwe raadt ons aan naar de Haindlkarhütte te wandelen en vandaar verder te gaan richting de noordwand van de Hochtor.
We vertrekken vanaf de parkeerplaats langs de B146 bij Gstatterboden en volgen de Haindlkarbach het bos in. De Hochtor staat hoog boven ons en wordt naarmate we stijgen steeds nadrukkelijker aanwezig. Af en toe steken we de droge bedding van de beek over en opent het bos zich. Aan de overkant van de Enns ligt het Buchsteinmassief.
Na ongeveer twee uur en 450 hoogtemeters verschijnt de Haindlkarhütte. Nog voor we haar goed kunnen zien, ruiken we het eten. Op het zonovergoten terras hoeven we niet lang na te denken over de lunch.
Met de verrekijker zoeken we daarna de noordwand af. Hoog boven ons hangen klimmers tegen het kalksteen. De Hochtor is met zijn 2.369 meter naar Alpennormen geen uitzonderlijk hoge berg, maar de wanden vertellen een ander verhaal. Gesäuse heeft een lange alpinistische traditie en wanneer je vanaf de hut naar die enorme noordwand kijkt, begrijp je waarom. Emiel en ik kijken elkaar aan. Hadden we onze klimspullen toch moeten meenemen?


Onder de Hochtor
Voorbij de hut klimmen we verder. Het bos maakt plaats voor krummholz en uiteindelijk lopen we door een wereld van puin en grote rotsblokken. Nog tweehonderd meter hoger staan we aan de voet van de noordwand. Het landschap voelt hier veel alpiener dan de bescheiden hoogte doet vermoeden. Boven ons rijst een vrijwel verticale wereld van grijs kalksteen op.
We blijven een tijdje kijken en beginnen dan aan de afdaling door de Gsenggraben. Dat blijkt geen ontspannen uitloop van de dag. De route daalt steil door los puin en tussen enorme rotsblokken. Op enkele passages helpen kabels en andere beveiligingen ons door het moeilijkste terrein. Na de rivier vraagt nu ook de berg onze volledige aandacht.
Lager verandert het landschap opnieuw. We komen in een beukenbos terecht en volgen de Johnsbach richting Enns. Onderweg passeren we de Himmelstoß-Tanne, een monumentale spar die met zijn 47 meter hoogte boven het bos uitsteekt. De boom werd genoemd naar Franz Himmelstoß, een bosbouwer die zich al in de jaren vijftig en zestig inzette voor het behoud van oude solitaire bomen. Na de kale rotsen onder de Hochtor voelt het bos bijna zacht aan.

Tussen wildwater en kalksteen
Drie dagen zijn te kort om Gesäuse te leren kennen. We hebben een rivier bevaren en één tocht door de bergen gemaakt. Toch begrijpen we bij het vertrek beter wat dit relatief kleine nationale park bijzonder maakt.
Alles ligt hier dicht bij elkaar. De Enns snijdt zich door het kalkmassief, zijrivieren zoeken hun weg vanuit de bergen en boven de bossen rijzen wanden op die generaties klimmers hebben aangetrokken. In nauwelijks enkele kilometers verschuift het landschap van rivier naar beukenbos, van bergbeek naar puinveld en uiteindelijk naar kale kalksteen.
Voor Emiel en mij waren het drie dagen waarin precies die verschillende werelden elkaar opvolgden. Eerst zaten we met Uwe en Emilian in onze kajaks op de Salza, voortdurend bezig met stroming, golven en de lijn door een versnelling. Een dag later stonden we onder de noordwand van de Hochtor naar klimmers te kijken.
Op de terugweg passeren we opnieuw de Enns. De stroomversnellingen die me drie dagen eerder nog onrustig maakten liggen er nog precies hetzelfde bij. We kijken er nu met andere ogen naar, maar laten ze voorlopig voor wat ze zijn.


