Waarom natuurherstel en landbouw in Vlaanderen elkaar nodig hebben

Jaren geleden las ik The Shepherd’s Life van James Rebanks. Het boek is een portret van het boerenleven in het Lake District, waar zijn familie al generaties lang schapen houdt. Rebanks schrijft over het landschap zoals alleen iemand dat kan die er al zijn hele leven deel van uitmaakt. Over de seizoenen, het vee, het werk en de kennis die van generatie op generatie wordt doorgegeven. En vooral over wat het betekent om boer te zijn op een plek waar landbouw en landschap eeuwenlang samen zijn gevormd.

Later las ik het vervolg, English Pastoral. Dat boek maakte misschien nog meer indruk op mij. Rebanks beschrijft hoe het landbouwbedrijf van zijn familie veranderde toen ook daar de moderne landbouw zijn intrede deed. Meer machines, kunstmest en bestrijdingsmiddelen moesten de productie verhogen. Dat deden ze ook, maar tegelijk veranderde het landschap. Heggen verdwenen, graslanden werden soortenarmer en vogels en insecten die vanzelfsprekend bij het boerenland hadden gehoord verdwenen.

Rebanks kiest uiteindelijk een andere weg, hij blijft boer, maar begint anders naar zijn bedrijf te kijken. Hij herstelt hagen en poelen, geeft een beekje opnieuw ruimte, vermijdt kunstmest en laat op sommige plaatsen gras en wilde vegetatie staan. Langzaam keren soorten terug. Wat mij in dat verhaal vooral raakte, was niet alleen dat de natuur daarvan profiteerde. Ook zijn boerenbedrijf bleef functioneren en werd opnieuw economisch leefbaar. Het ene bleek het andere niet noodzakelijk uit te sluiten.

Die twee boeken hebben mijn kijk op landbouw en natuur sterk beïnvloed. Ze deden mij beseffen dat de tegenstelling van landbouw versus natuur die we zo gemakkelijk maken niet zo vanzelfsprekend is. Een boer hoeft geen natuurbeheerder te worden en een landbouwbedrijf hoeft geen natuurgebied te zijn. Maar landbouw vindt wel plaats binnen een landschap, en een gezond landschap kan alleen bestaan wanneer bodem, water, planten, dieren en menselijke activiteit met elkaar verbonden blijven.

Ik merk ook hoe moeilijk die gedachte in de praktijk soms ligt. Mijn ervaring is nog relatief kort, maar ik wordt regelmatig geconfronteerd met de gespannen verhouding tussen landbouw en natuurbeheer. Beide groepen staan aan tegenovergestelde kanten van een grens. Voor de boer betekent natuurbeleid beperkingen, regelgeving en mogelijk verlies van landbouwgrond. Voor mij zijn vermesting, verzuring, drainage en versnippering dagelijkse realiteiten die natuurherstel bijzonder moeilijk maken. Toch kijken we uiteindelijk naar hetzelfde landschap.

Een nieuwe rol voor landbouw

Die spanning maakt de recente plannen van de Vlaamse regering interessant. In het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen krijgt landbouw een stevige ruimtelijke verankering. Vlaanderen wil landbouwgrond beschermen en tegelijk verwacht de overheid dat het landbouwlandschap een belangrijke rol speelt in waterbeheer, bodemkwaliteit, biodiversiteit, koolstofopslag en andere “ecosysteemdiensten”.

Op het eerste gezicht lijkt daar weinig mis mee. Integendeel, Vlaanderen is klein, dichtbevolkt en ruimtelijk sterk versnipperd. Natuurgebieden liggen zelden geïsoleerd van landbouw. Water stroomt over perceelsgrenzen, grondwater houdt zich niet aan een bordje dat aangeeft waar een natuurgebied begint en insecten en vogels kennen onze gewestplannen niet. Wie biodiversiteit wil herstellen, kan daarom onmogelijk alleen naar natuurreservaten kijken.

De Vlaamse regering ziet landbouwers in het nieuwe plan in een dubbelrol. Als producenten van voedsel maar ook als beheerder van het landschap. Via financiële incentives worden ze gestimuleerd om “ecosysteemdiensten” te leveren. En precies daar begint voor mij ook de twijfel.

Kunnen we van een intensief landbouwsysteem verwachten dat het plots belangrijke “ecosysteemdiensten” gaat leveren zonder dat we ook dat landbouwsysteem zelf veranderen? Een bloemenrand langs een akker is waardevol. Een houtkant kan insecten, vogels en kleine zoogdieren leefruimte geven en tegelijk water vasthouden en erosie beperken. Groenbedekkers kunnen bodems beschermen en een betere vruchtwisseling kan het bodemleven helpen herstellen. Elk van die maatregelen heeft betekenis.

Maar wanneer ze als losse elementen worden toegevoegd aan een landbouwmodel dat verder maximaal gericht blijft op productie per hectare, botsen we eerder vroeg dan laat op grenzen. Bodemherstel, biodiversiteit en waterbuffering kunnen moeilijk bijkomende opdrachten zijn die een landbouwer boven op alle andere economische verwachtingen moet uitvoeren.

Misschien moeten we daarom een andere vraag stellen. Niet hoeveel natuur landbouw kan verdragen, maar welk landbouwsysteem we nodig hebben om voedselproductie opnieuw onderdeel te maken van een ecologisch gezond landschap.

Boeren binnen natuurlijke processen

Regeneratieve landbouw en agro-ecologie wijzen allebei in die richting, maar leggen een ander accent. Regeneratieve landbouw vertrekt in de eerste plaats vanuit het herstel van het agro-ecosysteem zelf: een levende en vruchtbare bodem, meer biodiversiteit, een betere waterhuishouding en minder afhankelijkheid van externe inputs. Agro-ecologie kijkt breder. Ze wil niet alleen de ecologische werking van het landbouwbedrijf veranderen, maar ook het voedselsysteem waarin dat bedrijf moet functioneren. Daarbij gaat het ook over de economische positie en autonomie van de landbouwer, toegang tot grond, afzet, kennis, beleid en de verhouding tussen producent en consument. In beide gevallen worden bodem, water en biodiversiteit geen toevoegingen achteraf, maar onderdeel van de manier waarop landbouw wordt georganiseerd.

Daar ligt voor mij de blijvende betekenis van het verhaal van Rebanks. Hij maakt van zijn boerderij geen natuurreservaat. Hij blijft schapen houden en voedsel produceren. Maar hij probeert zijn bedrijf opnieuw te laten functioneren binnen de ecologische mogelijkheden van de plek waar hij boert. De natuur die terugkeert is geen decor rond zijn bedrijf. Ze wordt opnieuw onderdeel van het systeem waarvan ook zijn landbouw afhankelijk is.

Dat betekent niet dat zijn model zomaar naar Vlaanderen kan worden gekopieerd. Een schapenbedrijf in het Lake District is iets anders dan een melkveebedrijf in de Kempen, een aardappelbedrijf in West-Vlaanderen of een fruitbedrijf in het Hageland. Maar de onderliggende gedachte lijkt mij wel overdraagbaar: landbouw kan op lange termijn moeilijk gezond blijven wanneer het landschap waarin ze functioneert steeds armer wordt.

En daar ligt ook een verantwoordelijkheid die veel verder gaat dan de individuele landbouwer. We kunnen niet van boeren verwachten dat ze goedkoop en steeds efficiënter voedsel produceren en hen tegelijkertijd vragen om biodiversiteit te herstellen, water vast te houden, koolstof op te slaan en het landschap te verzorgen. Als we die maatschappelijke diensten belangrijk vinden, moeten ze ook economisch mogelijk worden gemaakt. Dat vraagt niet alleen andere landbouwpraktijken, maar ook een ander beleid, eerlijke verdienmodellen en uiteindelijk misschien ook een andere verhouding van ons allemaal tot voedsel en de prijs die we ervoor willen betalen.

Natuur blijft natuur

Tegelijk moeten we ervoor oppassen dat “ecosysteemdiensten” in landbouwgebied een vervanging worden voor natuurherstel. In mijn eigen werk zie ik hoe specifiek de voorwaarden voor bepaalde ecosystemen zijn. Een blauwgrasland ontstaat niet omdat we wat intensiever maaien. Hydrologie, verarming, bodemchemie en beheer moeten gedurende lange tijd op elkaar afgestemd zijn. Bijna altijd betekent natuurherstel dat water opnieuw ruimte moet krijgen, dat biomassa jarenlang wordt afgevoerd en dat productie helemaal niet langer de eerste functie van een gebied kan zijn.

Een ecologisch rijk landbouwlandschap kan zulke natuur niet vervangen. Maar het kan haar wel ondersteunen. Een natuurgebied dat als een eiland ligt in een landschap met gedraineerde bodems, hoge nutriëntenbelasting en weinig ecologische verbindingen blijft kwetsbaar, hoeveel energie we ook in het beheer ervan steken. Natuurherstel stopt daarom niet aan de grens van een natuurgebied. Net zoals landbouw niet ophoudt te functioneren aan de rand van een akker.

We hebben beide nodig. Gebieden waarin natuur en natuurlijke processen de eerste plaats krijgen, én landbouwgebieden waarin voedselproductie opnieuw veel sterker verweven wordt met bodem, water en biodiversiteit.

Het vertrouwen herstellen

Misschien ligt daar uiteindelijk een grotere uitdaging dan in het verdelen van hectares tussen landbouw en natuur. Er bestaat veel wantrouwen tussen beide werelden. Dat wantrouwen heeft redenen. Boeren hebben decennia van veranderende regelgeving, economische druk en onzekerheid achter de rug. Natuurbeheerders zien ondertussen hoe kwetsbare habitats verdwijnen en hoeveel werk nodig is om menselijke verstoring terug te draaien. Soms wordt die tegenstelling heel concreet.

Ik herinner me een gesprek met een landbouwer die ziedend was omdat een beverdam een deel van zijn akker had laten overstromen en zijn oogst had vernield. Ik kon zijn woede goed begrijpen. Voor hem betekende die dam een rechtstreeks economisch verlies. Voor ons kan diezelfde bever een bondgenoot zijn omdat hij water vasthoudt in gebieden die we proberen te vernatten. Maar zelfs voor natuurbeheerders is dat niet altijd zo eenvoudig. Wanneer een bever voedselrijk beekwater over een verschraald blauwgrasland stuurt, kunnen precies de soorten verdwijnen waarvoor we jarenlang proberen de juiste voedselarme omstandigheden te herstellen. Dezelfde bever kan dus op enkele kilometers afstand een probleem, een bondgenoot of opnieuw een probleem zijn.

Misschien illustreert dat kleine voorval vooral waarom eenvoudige tegenstellingen ons niet veel verder helpen. Landbouwers willen hun grond kunnen bewerken en hebben daarvoor vaak drainage nodig. In natuurherstel proberen we water juist langer vast te houden. Die belangen kunnen werkelijk botsen. Het antwoord kan dan niet zijn dat één van beide partijen het landschap alleen vanuit haar eigen behoeften bekijkt. We zullen moeten zoeken naar oplossingen waarbij we ook erkennen wie de kosten draagt van de keuzes die we als samenleving maken.

Als landbouwers en natuurbeheerders elkaar vooral als oorzaak van het probleem blijven beschouwen, wordt het bijzonder moeilijk om het landschap als geheel te herstellen.

De recente Vlaamse plannen spreken veel over “ecosysteemdiensten”, landbouw, natuur en open ruimte. Misschien ligt de belangrijkste opgave echter niet in een nieuwe categorie op een kaart. Ze ligt in het opnieuw samenbrengen van de mensen die dat landschap iedere dag gebruiken en beheren.

James Rebanks liet mij jaren geleden zien dat landbouw en natuur geen tegengestelde doelen hoeven te zijn. Mijn werk heeft mij sindsdien vooral doen beseffen hoe moeilijk het is om die eenvoudige gedachte in praktijk te brengen.

Toch zie ik weinig andere mogelijkheden voor Vlaanderen. We kunnen natuurgebieden blijven herstellen en landbouwgrond blijven beschermen, maar uiteindelijk liggen ze in hetzelfde landschap. Water, bodem en biodiversiteit verbinden ze onvermijdelijk met elkaar.

Misschien moeten we daarom minder spreken over hoeveel ruimte landbouw krijgt en hoeveel ruimte natuur krijgt. De belangrijkere vraag is hoe we opnieuw een landschap kunnen maken waarin beide een toekomst hebben.