Over buitensport en onze plaats in het landschap
Buiten zijn heeft voor mij bijna altijd met bewegen te maken gehad. Varen, klimmen, fietsen, lopen. Lange tijd stond vooral de activiteit zelf centraal: de rivier die moeilijker werd, de volgende klim, een langere tocht of een technischere afdaling. Pas later ben ik meer gaan kijken naar het landschap waarin dat allemaal gebeurt en naar de sporen die we er onvermijdelijk in achterlaten.
Die impact zit vaak in kleine handelingen. Een bocht die tijdens het mountainbiken wordt afgesneden, een oever die telkens opnieuw als landingsplaats wordt gebruikt, een peddel die door ondiep water gaat of een dier dat wordt opgeschrikt wanneer we passeren. Afzonderlijk lijken die dingen nauwelijks betekenis te hebben. Wanneer steeds meer mensen dezelfde plekken opzoeken, wordt de optelsom groter.
Dat besef is bij mij geleidelijk gegroeid. Buitensport heeft ook een cultuur waarin prestaties gemakkelijk centraal komen te staan. Sneller, hoger, verder en moeilijker zijn eenvoudige maatstaven om een ervaring betekenis te geven. Ik ben daar zelf lang in meegegaan. De omgeving was aanwezig en belangrijk, maar niet altijd het eerste waar ik bij stilstond.

Toch zijn het achteraf zelden de prestaties die ik mij het best herinner. Het zijn de mensen met wie ik onderweg was, gesprekken aan het einde van een dag, de stilte op een richel of het samen zoeken naar een lijn door een stroomversnelling. Wat aanvankelijk vooral over avontuur ging, bleek met de jaren steeds meer over aandacht en verbondenheid te gaan.
Toen ik met mijn kinderen begon te klimmen, varen en fietsen, werd dat nog duidelijker. Een top hoefde niet langer het doel van een dag te zijn en een rivier was niet alleen een opeenvolging van stroomversnellingen. Het onderweg zijn kreeg een andere betekenis. Niet omdat de activiteit minder belangrijk werd, maar omdat ze deel ging uitmaken van iets groters.
Ook mijn werk als kano-instructeur en riviergids heeft mijn blik veranderd. Een rivier is geen decor waar we met onze kano doorheen varen, maar een levend systeem waarvan we op dat moment deel uitmaken. Wie leert varen, kan daarom ook leren kijken. Naar oevers die gemakkelijk eroderen, planten die sediment vasthouden, plekken waar vogels broeden of zones waar vissen beschutting zoeken.

Dat hoeft geen natuurles naast de kanoles te worden. Vaak volstaat het om uit te leggen waarom we ergens niet aan land gaan, waarom we afstand houden of waarom een bepaalde route door het water beter is dan een andere. Techniek en zorg voor de omgeving hoeven daarbij niet tegenover elkaar te staan. Goed leren varen betekent ook leren hoe je met zo weinig mogelijk verstoring door een landschap beweegt.
Hetzelfde geldt voor andere buitensporten. Op het pad blijven, geen sporen achterlaten, rekening houden met seizoenen en kwetsbare zones en accepteren dat een plek soms beter niet bezocht wordt, zijn kleine keuzes. Geen daarvan maakt ons impactloos. Wie buiten recreëert, laat altijd een spoor na. De vraag is vooral hoe groot dat spoor hoeft te zijn.
Daar ligt voor mij ook de waarde van Leave No Trace. Niet als een verzameling regels die voorschrijft wat wel en niet mag, maar als een manier van kijken. Voor je ergens gaat, probeer je te begrijpen waar je terechtkomt. Onderweg pas je je gedrag aan aan wat het landschap kan dragen. Achteraf laat je zo weinig mogelijk van je aanwezigheid achter. De verantwoordelijkheid verschuift daarmee van de beheerder die grenzen moet stellen naar de bezoeker die zelf leert nadenken.

Dat wordt belangrijker nu steeds meer mensen de natuur opzoeken. Dat is op zichzelf iets positiefs. Wie buiten wandelt, fietst, klimt of vaart, kan een relatie met een landschap opbouwen die moeilijk ontstaat vanop afstand. Maar meer bezoekers betekenen ook meer druk. De oplossing kan daarom niet alleen bestaan uit natuur afsluiten, net zoals onbeperkte toegang evenmin vanzelfsprekend kan zijn.
Misschien moeten we vooral opnieuw leren wat het betekent om ergens te gast te zijn. Een gast neemt deel, maar bepaalt niet de voorwaarden. Hij kijkt, luistert en past zich aan. Voor buitensport betekent dat niet dat avontuur moet verdwijnen of dat plezier verdacht wordt. Ik wil nog altijd varen, klimmen, fietsen en onderweg zijn. Alleen is de manier waarop ik dat doe veranderd.
Avontuur is voor mij daardoor niet kleiner geworden. Integendeel. Wanneer je een rivier niet alleen als vaarwater ziet, een bos niet alleen als parcours en een berg niet alleen als top, wordt de ervaring rijker. Je beweegt niet langer alleen door het landschap, maar probeert ook te begrijpen waar je doorheen beweegt.

Misschien ligt daar de balans die ik zoek. Niet tussen avontuur en natuur alsof het twee tegengestelde belangen zijn, maar in een vorm van avontuur die haar betekenis juist ontleent aan het landschap waarin ze plaatsvindt. Wie dat landschap nodig heeft om zijn vrijheid te ervaren, draagt ook verantwoordelijkheid voor de ruimte die hij daarbij inneemt.