De breuk met het verleden
In 1992 rijd ik met mijn auto naar Triëst en neem daar de boot naar Durrës. Vierentwintig uur later sta ik in Albanië, een land dat tot kort daarvoor vrijwel volledig van de rest van Europa afgesloten was. Ik ben pas afgestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent en wil documentaire fotograaf worden. Veel meer dan een camera, enkele contacten en een grote nieuwsgierigheid heb ik niet.
Een paar maanden eerder heb ik vier weken door Roemenië gereisd. De gevolgen van de val van het communisme in 1989 vormden het onderwerp van mijn afstudeerproject en hadden mijn belangstelling gewekt voor de veranderingen die zich op dat moment in Oost-Europa voltrokken. Toen Albanië na de parlementsverkiezingen van maart 1992 zijn grenzen verder opende, wilde ik zien wat er gebeurde in een land dat veel langer en veel grondiger van Europa geïsoleerd was geweest.
Onder Enver Hoxha had Albanië zich sinds de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld tot een van de meest gesloten communistische staten van Europa. Eerst kwam het tot een breuk met Joegoslavië, later met de Sovjet-Unie en uiteindelijk ook met China. Hoxha’s streven naar volledige zelfredzaamheid ging gepaard met collectivisering, industrialisering en onderwijs, maar ook met harde politieke repressie. Tegen het einde van het regime verkeerde het land economisch in een bijzonder slechte toestand.
Van wat zich achter de Albanese grenzen afspeelde, wisten we in West-Europa weinig. De verhalen die ons bereikten, gingen vaak over Hoxha’s paranoia en de duizenden bunkers die hij over het hele land had laten bouwen. Hoe het dagelijkse leven eruitzag, bleef veel abstracter.

Ook voor mij. Albanië was op papier een fascinerend onderwerp, maar eenmaal ter plaatse moest ik mijn weg zien te vinden in een samenleving waarvan ik de taal niet sprak en nauwelijks iemand kende. Via de Belgische stalinistische partij PVDA en het Anti-Fascistisch Front had ik enkele contacten gekregen. Ze boden me een eerste houvast voor verblijf, vervoer en toegang tot plaatsen die ik anders moeilijk had kunnen bereiken. Wat ik aantrof, was een land midden in een breuk met zijn verleden.
Ik fotografeerde mijnwerkers, textielarbeiders en staalarbeiders die werkten in installaties die nauwelijks nog functioneerden. Fabrieken en infrastructuur waren versleten, winkels vrijwel leeg. De staat die decennialang bijna ieder aspect van het economische en maatschappelijke leven had bepaald, trok zich terug terwijl er nog nauwelijks iets bestond om haar plaats in te nemen.
Maar tussen dat verval gebeurde tegelijk iets anders. Op straat verschenen geïmproviseerde kraampjes. Mensen verkochten sigaretten, schoenen, huishoudelijke spullen of wat ze maar konden bemachtigen. Handel die kort daarvoor nauwelijks denkbaar was geweest, ontstond vrijwel spontaan op straathoeken en pleinen. Tussen de resten van het oude systeem begon een nieuwe economie vorm te krijgen.
Dat contrast werd uiteindelijk het onderwerp van mijn foto’s. Niet alleen de armoede of de slechte arbeidsomstandigheden, maar vooral dat vreemde ogenblik waarop het ene systeem verdwenen was en het volgende nog nauwelijks bestond.
Na mijn terugkeer werden de foto’s gepubliceerd in Belgische, Nederlandse en Duitse kranten. Daarna kwamen andere opdrachten en andere verhalen. De negatieven verdwenen in mijn archief. Ik heb ze meer dan dertig jaar nauwelijks bekeken.





Dertig jaar later
Tot architect Johan Anrys me in 2023 vroeg ze opnieuw boven te halen. Hij zag er iets in wat ik zelf lange tijd niet had gezien. Voor mij waren het foto’s uit het begin van mijn loopbaan. Voor hem waren het documenten geworden van een periode waarvan steeds minder mensen zich uit eigen ervaring iets konden herinneren. Aanvankelijk was ik niet overtuigd. Uiteindelijk besloot ik de beelden opnieuw te bekijken.
In januari 2024 toon ik ze in Albanië aan een publiek dat grotendeels geboren is na de omwenteling. Hun reactie verrast me. De wereld op mijn foto’s is voor hen nauwelijks herkenbaar. Ze kennen die periode als geschiedenis, vaak slechts fragmentarisch uit verhalen van ouders en grootouders. Veel daarvan lijkt nooit uitvoerig verteld te zijn.
Dat begrijp ik beter wanneer ik zelf opnieuw door Tirana loop. Meer dan dertig jaar is een lange tijd, maar wat ik ervaar voelt niet alleen als verandering. Het voelt als een breuk. De grijze stad uit mijn herinnering is een levendige hoofdstad geworden, vol verkeer, cafés, winkels, kleurrijke gebouwen en hoogbouw. Op sommige plaatsen lijkt de stad haast nadrukkelijk te willen tonen dat ze bij een andere wereld hoort.
Natuurlijk zijn er nog gebouwen, straten en bunkers die naar het verleden verwijzen. Toch heb ik moeite om de stad waarin ik rondloop te verbinden met de stad die ik in 1992 fotografeerde.
Het doet me denken aan Agadir, waar ik jarenlang heb gewerkt. Daar werd de oude stad in 1960 vrijwel volledig verwoest door een aardbeving en daarna opnieuw opgebouwd. Wie vandaag door Agadir loopt, kan het huidige stratenplan nauwelijks verbinden met de stad die er voordien lag. De geschiedenis kent er een duidelijke breuklijn.
In Tirana is niets vergelijkbaars gebeurd en toch ervaar ik iets soortgelijks. Niet de gebouwen, maar het maatschappelijke systeem stortte in. Wat daarna ontstond, werd gebouwd op andere economische, politieke en culturele uitgangspunten. Daardoor lijkt het verleden soms minder ver weg in tijd dan in ervaring.






Van gesloten staat naar open markt
Maar tijdens mijn terugkeer zie ik ook een andere kant van die ontwikkeling. De vrije markt die ik in 1992 aarzelend zag ontstaan in geïmproviseerde kraampjes op straat, heeft ruim dertig jaar later een heel andere schaal gekregen. Tirana bouwt in hoog tempo de hoogte in en langs de Albanese kust volgen hotels, appartementen en luxeresorts elkaar op. Een land dat ooit vrijwel volledig gesloten was voor buitenlands kapitaal, lijkt nu bijzonder ontvankelijk voor wie er genoeg van meebrengt.
Sinds mijn bezoek is die ontwikkeling alleen maar zichtbaarder geworden. De plannen van Jared Kushner en Ivanka Trump voor grootschalige luxeresorts op Sazan en bij Zvërnec zijn daarvan misschien het meest symbolische voorbeeld. Een onbewoond voormalig militair eiland en een kwetsbaar kustgebied worden onderdeel van een miljardenproject dat Albanië verder op de internationale toeristische kaart moet zetten.
Daarmee krijgt de breuk met het verleden voor mij nog een andere betekenis. In 1992 zag ik mensen op straat voor het eerst kleine stukjes economische vrijheid opeisen. Een tafel, wat sigaretten, schoenen of huishoudelijke spullen waren voldoende om voorzichtig iets voor zichzelf te beginnen. Meer dan dertig jaar later gaat de discussie niet langer over de vrijheid om handel te drijven, maar over de vraag hoeveel van een landschap te koop mag worden aangeboden.

Die vraag is inmiddels ook in Albanië zelf op straat terechtgekomen. De plannen bij Zvërnec hebben geleid tot protesten van bewoners en natuurbeschermers, die zich verzetten tegen bebouwing in kwetsbare natuur en tegen de manier waarop grote vastgoedprojecten worden doorgedrukt. De flamingo’s die in het gebied leven, zijn daarbij het symbool van het protest geworden.
Het zou te eenvoudig zijn om daaruit te besluiten dat Albanië van het ene uiterste in het andere is terechtgekomen. De economische ontwikkeling sinds 1992 heeft het leven van veel Albanezen fundamenteel veranderd. De armoede en uitzichtloosheid die ik destijds fotografeerde, hoeven niet geromantiseerd te worden. Niemand die ik toen ontmoette verlangde naar het behoud van die wereld.
Maar juist daarom is het contrast zo opvallend. Een land dat vier decennia lang vrijwel alles ondergeschikt maakte aan de staat, moet nu bepalen welke grenzen het aan de markt wil stellen. Wanneer kustlandschappen en beschermde natuur vooral worden bekeken als locaties voor de volgende investering, ontstaat opnieuw de vraag wie uiteindelijk bepaalt wat vooruitgang betekent. Misschien is dat ook wat mijn foto’s na dertig jaar veranderd heeft.
In 1992 probeerde ik als jonge fotograaf vast te leggen wat ik voor me zag: arbeiders, fabrieken, straten en mensen die hun weg zochten in een land waarvan de oude zekerheden verdwenen waren. Ik dacht dat ik een overgang fotografeerde.
Nu zie ik dat de beelden ook iets anders tonen. Ze bewaren een wereld die nauwelijks nog aansluiting vindt bij het Albanië van vandaag. De mensen op de foto’s leefden niet alleen in een andere tijd, maar in een maatschappelijk systeem dat vrijwel volledig verdwenen is.
Toen ik de negatieven na meer dan dertig jaar opnieuw uit hun dozen haalde, waren ze voor mij nog verbonden met herinneringen aan plaatsen, gesprekken en ontmoetingen. Voor de jonge Albanezen die ze in 2024 bekeken, waren het historische documenten geworden.
Misschien ligt precies daarin de waarde van een fotografisch archief. Niet alleen in wat een foto toont op het moment waarop ze wordt gemaakt, maar in wat ze zichtbaar begint te maken wanneer de wereld rondom haar verandert.





Bekijk de volledige documentaire uit 1992 in het archief